Westerik

Het eerste kunstwerk dat ik kocht, was van Co Westerik. Hier heb ik de rekening nog uit 1971, van Galerie Fenna de Vries uit Rotterdam. De zeefdruk Vrouw-plant in glas op tafel buiten kostte 150 gulden, minus 25 procent subsidie, dat maakte 113 gulden. Mijn zeefdruk was nummer 73 uit een oplage van 90 stuks.

Op deze zeefdruk staat een plant-met-een-vrouwenhoofd in een glas afgebeeld. Uit het hoofd loopt een navelstreng naar een denkballon, waarin zich een menselijk embryo bevindt. Naar mijn idee ging de voorstelling over vruchtbaarheid en zwangerschap. Een vrouw denkt aan of droomt van het kind in haar baarmoeder.

Ook achteraf misschien niet zo’n slechte theorie, want Westerik maakte deze zeefdruk in 1970, het jaar waarin hij trouwde met zijn tweede vrouw, galeriehouder Fenna de Vries (!), met wie hij nog datzelfde jaar een zoon kreeg. Deze laatste gegevens ontleen ik aan de overzichtstentoonstelling van Westerik in het Haagse Gemeentemuseum.

Natuurlijk had ik gehoopt, zo snobistisch ben ik wel, mijn zeefdruk op de tentoonstelling aan te treffen. Dat was helaas niet het geval, en ik moet toegeven dat ik daarmee mijn verdiende loon kreeg. Want de zeefdruk was de 35 jaar in mijn bezit niet helemaal ongeschonden doorgekomen. Andere aankopen hadden hem geleidelijk naar de achtergrond gedrongen en bij een verhuizing was een barst in het glas gesprongen.

Rondlopend op deze tentoonstelling besefte ik dat het hoog tijd werd voor een rehabilitatie van de vrouw-plant. Want Westerik is een groot kunstenaar, de grootste van wie ik ooit iets mocht kopen. De schrijver Willem van Toorn typeert zijn werk treffend in een boek over de grafiek van Westerik (waarin mijn zeefdruk, hoera, wél staat): „(...) waar ik van houd in het werk van Westerik: een schijnbaar dagelijkse werkelijkheid, een ervaring of ontroering die je wel denkt te kennen, maar die zó is geïntensiveerd door een geheimzinnige vervreemding dat je als het ware helemaal opnieuw moet kijken.”

Bij die omschrijving moet ik meteen denken aan het schilderij van Westerik dat mij het meest dierbaar is: Grammofoonspeler (uit 1971). Op een platenspeler, staand op een tafelblad, draait een grammofoonplaat. Een man in een pak zit met afgewend hoofd achter de platenspeler, zijn gezicht heeft hij in de holte van zijn rechterarm geduwd, de ogen en de trekken zijn onzichtbaar. De muziek is hem te machtig geworden, een verdriet waarvoor hij zich diep schaamt heeft hem overrompeld.

Ach, alles wat ik eerder heb gekocht, zou ik willen verruilen voor dit schilderij.

De lezer die zich nu hopelijk onverwijld naar het Haagse Gemeentemuseum spoedt, moet ik op nog iets anders attenderen. In de museumshop ligt een zeer betaalbare catalogus met het werk van Hens de Jong. Zij was de eerste vrouw van Co Westerik, ze stierf drie jaar geleden. Ik kende haar werk niet en ik was verrast door de kwaliteit.

Ze heeft ooit de Hudson River in New York geschilderd, met roze wolkjes die in het blauwe water weerspiegeld worden, zó goed dat ik het de man van die grammofoonspeler graag cadeau had gedaan om hem van zijn verdriet af te helpen.