Vijftig dode Talibaan brengt nog geen vrede

De Nederlandse politiek en media concentreren zich op gedode Talibaan-strijders.

Ze zouden meer oog voor voor humanitaire hulp in Afghanistan moeten hebben.

Vorige week was ik op uitnodiging van Canadese politici in Ottawa. Zij vroegen hoeveel Talibaanstrijders er nog in Zuid-Afghanistan zijn. Mijn antwoord was niet zo concreet als ze hoopten: „Er is in Zuid-Afghanistan een oneindige stroom van potentiële Talibaanstrijders.”

Ga met honderd kalasjnikovs en een paar duizend dollar naar een vluchtelingenkamp in Kandahar of Lashkar Gah en honderd jonge Afghanen zijn meteen bereid om tegen Afghaanse, Nederlandse, Britse of Canadese troepen te vechten. In de provincies Helmand en Kandahar, waar duizenden families op de rand van de afgrond leven, zijn tientallen van dergelijke geïmproviseerde vluchtelingenkampen.

Betekent dit dat er een golf van Talibaannostalgie door het land gaat? Ja en nee. Sommige Afghanen in het zuiden hebben inderdaad het gevoel dat het tijdens het Talibaanbewind beter ging, omdat er toen nauwelijks gevochten en gebombardeerd werd. Dit betekent niet dat Afghanen massaal terugverlangen naar het tijdperk van de Talibaan, het laat eerder zien dat de Talibaan beter dan het Karzai-bewind en de ISAF-troepen de „harten en hoofden” van de bevolking voor zich weten te winnen. De propagandamachine van de Talibaan speelt in op de armoede van de Afghaanse bevolking en op het grote aantal burgerslachtoffers dat valt door de bombardementen en gevechten in Zuid-Afghanistan.

Bij berichten dat er weer vijftig of zeventig Talibaanstrijders gedood zijn, wordt dit in Nederland meestal opgevat als een succesvol wapenfeit. Men staat er vaak niet bij stil dat het onmogelijk is om onderscheid te maken tussen Talibaanstrijders en normale Afghaanse burgers. Bovendien moet onderscheid gemaakt worden tussen een harde kern van Talibaanleden die probeert het ontwikkelings- en democratiseringsproces van Afghanistan te saboteren, en een grote groep Afghanen die zich bij de Talibaan aansluit omdat deze zich in een uitzichtloze situatie bevindt – geen werk en bittere armoede.

De internationale gemeenschap heeft de plicht om deze groep onschuldige Afghanen voor zich te winnen, hen te laten geloven dat een keuze voor het nieuwe, legitieme Afghanistan een keuze is voor een betere toekomst.

Maar het terugwinnen van de harten en hoofden van de Afghanen lijkt een bijna onmogelijke taak voor de Nederlandse soldaten in Zuid-Afghanistan. Met simpele middelen zouden de soldaten een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan een betere verstandhouding met de Afghaanse bevolking. De Nederlandse missie zou zich in Zuid-Afghanistan meer bezig moeten houden met de basisbehoeften van de bevolking. Er wordt nu door de defensiestaf gesproken over periodieke vergaderingen met de dorpsoudsten en het aanleggen van bruggen en wegen. Dit is ongetwijfeld nuttig, maar als je met de gemiddelde Afghaanse burger in Zuid-Afghanistan spreekt, is er eerder behoefte aan noodhulp in de vorm van water, voedsel en medicijnen. Wanneer soldaten net als onze onderzoekers met voedsel de dorpen en vluchtelingenkampen in Zuid-Afghanistan kunnen betreden, heeft dit direct positieve gevolgen voor de vriendelijkheid van de mensen, de veiligheid van de troepen zelf en het winnen van de harten en hoofden van de Afghanen. De vraag is of er binnen het huidige mandaat voldoende ruimte is voor een humanitaire rol.

Neem de situatie van de Canadese troepen. Op luttele kilometers van de militaire bases bij de stad Kandahar drommen duizenden Afghanen samen, op de vlucht als gevolg van bombardementen, strijd en de vernietiging van papavers door de Afghaanse regering. Ze hebben nauwelijks voedsel, water en onderdak, en er gaan dagelijks mensen dood door honger of ziekte. De soldaten zijn persoonlijk bereid voedsel te leveren, maar mogen dat binnen hun mandaat niet doen. Hun handen zijn gebonden.

Humanitaire en ontwikkelingsorganisaties dringen erop aan dat militairen zich niet met humanitaire taken bezighouden. Dat lijkt verstandig, maar alles lijkt er in Zuid-Afghanistan op dat hier een uitzondering gemaakt moet worden.

De foto’s van ondervoede kinderen die wij in de vluchtelingenkampen van Zuid-Afghanistan genomen hebben, kwamen als een totale verrassing voor de Canadese politici. Armoede en honger zijn geen zaken die men met Afghanistan verbindt. In de media en de politiek gaat het eerder over de terugkeer van de Talibaan, de groei van de opiumeconomie of de veiligheid van de troepen.

Hopelijk hebben Nederlandse politici oog voor de structurele armoede en hongersnood in Zuid-Afghanistan. Laten zij de Nederlandse militaire missie aanpassen aan deze realiteit. Een dergelijke rol is niet alleen belangrijk vanuit moreel oogpunt, maar levert ook een positieve bijdrage aan de veiligheid van de troepen.

Jorrit Kamminga is hoofd onderzoek en beleid van de Senlis Council, een denktank voor veiligheids- en ontwikkelingspolitiek. Hij is verbonden aan de vestiging in Kabul (Afghanistan).