Opgelegde liefde

Het woord ‘imagine’, als bij John Lennon, is moeilijker te vertalen dan men denkt. Neem de regel ‘Imagine there’s no countries, it isn’t hard to do’. Wordt dat: ‘beeld je eens in dat er geen landen bestaan’? Of ‘Stel je voor dat er geen landen bestaan’? Of: ‘Laten we aannemen dat er geen landen bestaan’? Allemaal foeilelijk –, maar eerlijk gezegd is dat zinnetje van Lennon ook niet moeders mooiste.

Lang geleden had ik een gesprek met de beroemde denker Benedict Anderson, de schrijver van ‘Imagined Communities’ uit 1983, in zijn huis op de campus van Cornell University, vlakbij New York.

Daar hoort trouwens een verhaaltje bij dat ik u niet kan onthouden. De dag voor de ontmoeting had ik, wat je noemt, participerende observatie verricht onder Indiase taxichauffeurs in Chicago. De Indiërs waren de enigen die ’s nachts durfden te rijden, vanwege de vele gewapende overvallen.

Hoe ze dat deden? Als een verdacht persoon instapte, kwam onmiddellijk een collega-Indiër achter de taxi rijden, met een schietklaar pistool in de hand. Als nu de passagier een pistool richtte op het achterhoofd van zijn chauffeur, was er de collega in de volgauto die zijn pistool richtte op de passagier. Als in een film van Quentin Tarantino.

Ik reed een nacht mee met een Indiase taxichauffeur en na afloop van zijn dienst nam hij me mee naar een Indiaas wegrestaurant en vroeg of ik een whisky’tje wilde meedrinken. Je participeert of je participeert niet, en ik kreeg een kartonnen colabeker van een kwart liter vol whisky aangereikt met twee druppels cola erin, ‘anders word je dronken’, zei hij. En toen namen we nog een.

Daarna bracht hij me naar de luchthaven voor het vliegtuig naar New York, waar ik overstapte op een klein toestel naar Ithaca, vlakbij Cornell. Hoe ik het heb klaargespeeld weet ik niet, maar ik bereikte de werkkamer van Benedict Anderson en ik vertelde hem wazig en wankelend over mijn wetenschappelijke onderzoek van de afgelopen nacht. Daar had hij, zelf een Ier, een remedie tegen: een groot glas whisky, om half tien in de ochtend.

Op een plankje had hij alle vertalingen van ‘Imagined Communities’ staan, het boek waarin hij uitlegt dat een gemeenschap bestaat bij gratie van de gedachte onder een grote groep mensen dat ze bij elkaar horen, vanwege de taal, de gewoonten, de muziek, de gedeelde geschiedenis en zo meer.

Bijna een meter aan vertalingen, maar een Nederlandse versie was er niet. Omdat de titel in het Nederlands zo moeilijk te vertalen is, zei Anderson. Voor je het weet denkt men dat de gemeenschap een ‘verzinsel’ is, een denkbeeld, een fantasie, een waanidee. En zo bedoelde hij het niet. De solidariteit onder de Indiase taxichauffeurs in Chicago was ‘echt’, waarbij men zelfs riskeerde voor elkaar te sterven.

De Nederlandse vertaling kwam er jaren later toch, onder de titel ‘Verbeelde Gemeenschap’. Geen juweeltje, maar ach. Nationalisme is volgens Benedict Anderson misschien wel de enige ideologie waarvoor men bereid is te sterven. De moslimterroristen hebben ook vooral een islamitische heilstaat in gedachten. Ze willen sterven voor Allah, maar langs de omweg van de gemeenschap in hun verbeelding, de wereldgemeenschap der moslims.

De moeilijkste vraag is hoe zo’n verbeelde gemeenschap ontstaat. Hoe ontstaat het gevoel dat je bij een heleboel andere mensen hoort, een groep die zo groot is dat je ze nooit allemaal een hand zult kunnen geven, maar voor wie je toch bereid bent te sterven? Is dat gevoel op te wekken?

Ja, zegt Anderson, die zelf het ontstaan van het nationalisme in Indonesië volgde, een natie die er eerst niet was. Maar hoe dat gevoel precies werd opgewekt, dat bleef ook voor hem een raadsel. Je hebt er helden uit het verleden voor nodig, charismatische leiders, een vader des vaderlands, verworvenheden, verhalen, rituelen en vlaggen en liederen die meestal gruwelijk klinken.

Anderson zei dat het opwekken van vaderlandsliefde net zo ingewikkeld is als het opwekken van de liefde voor een persoon. Waren het nou haar wenkbrauwen waar je voor viel? Of was het haar stem, of haar geur of de kleur van haar huid. En dan: hoe slaat de vonk eigenlijk over?

Als het al zo moeilijk is om vaderlandsliefde op te wekken, dan is het godsonmogelijk om die op te leggen. De verplichte inburgeringsceremonie bijvoorbeeld, een bedacht ritueel waarbij buitenlanders het Wilhelmus moeten zingen en dan pas hun paspoort krijgen, dat idee kan alleen ontsproten zijn aan het brein van bewindslieden en ambtenaren die duidelijk last hebben van waanideeën. Het is bovendien gênant en denigrerend, of zoals een wethouder van een Amsterdams stadsdeel het zei: het is eerst pootje geven, dan koekje krijgen.

Wat ik me wel afvraag is hoe het dan zit met gearrangeerde huwelijken. Daar is er niet eerst een vonk, maar een verstandelijke verbintenis, waarna soms toch een vonkje komt, maar meestal niet. Hoe houden die mensen het met elkaar uit?

Het antwoord is: pragmatisme en gewenning. Zoiets kan ik me wel voorstellen bij buitenlanders die het Nederlanderschap willen aannemen. Ze doen dat uit praktische redenen, het is nu eenmaal praktischer om Nederlander te zijn dan een Kazach, en na verloop van tijd treedt er enige gewenning op.

Ik ben zelf ook op die manier gewend geraakt aan Nederland, aan de hebbelijkheden, de gewoonten, de charmes, zelfs aan de xenofobie raakte ik gewend. Dat is volgens mij een stevig begin, maar sterven voor het nieuwe vaderland? Jongens, het blijft een verstandshuwelijk, bovendien had John Lennon gelijk.

ramdas@nrc.nl