Kritiek op Mondriaan Stichting wekt verbazing

In de kunstwereld is met ongeloof gereageerd op de felle kritiek van zeven grote musea op het beleid van de Mondriaan Stichting. Directeur Gitta Luiten vindt dat de brandbrief vol feitelijke onjuistheden staat.

De brandbrief die zeven grote Nederlandse musea vorige week naar de Mondriaan Stichting stuurden uit onvrede met het beleid van de subsidieverdeler, staat vol feitelijke onjuistheden. Dat schrijft Gitta Luiten, directeur van de Mondriaan Stichting, in een reactie die vrijdag aan de directies van de zeven musea gestuurd is. De musea, verenigd in het zogenaamde Miniconvent, beschuldigden de Mondriaan Stichting van bureaucratie, willekeur en machtsmisbruik. Aanleiding voor de brief was de aanstelling van Maria Hlavajova (directeur van kunstcentrum BAK in Utrecht) als conservator voor de Biennale van Venetië, een besluit waarin de musea niet waren gekend.

Luiten zegt dat ze vooral verbaasd is over de manier waarop de musea hun onvrede hebben geuit. „Er is geen enkele aanvraag tot overleg geweest. Ik moest uit de pers vernemen dat de brief naar ons onderweg was.”

In haar reactie stelt Luiten dat de afgelopen tien jaar alle presentaties in Venetië verzorgd zijn door leden van het Miniconvent. „Het lijkt mij feitelijk onjuist om te beweren dat de Mondriaan Stichting uw musea niet bij de presentaties betrekt.” Ook de aanklacht dat de Mondriaan Stichting nauwelijks gebruik maakt van de expertise van de musea, wordt door Luiten weersproken. „Van de 33 commissieleden op wie de Mondriaan Stichting in 2005 en 2006 regelmatig een beroep deed, zijn 21 werkzaam bij (middel)grote musea.”

Op de beschuldiging dat de Mondriaan Stichting een ‘ondoorzichtige werkwijze’ heeft ten aanzien van het subsidiëren van museale aankopen, reageert Luiten: „De aanvragen voor bijzondere aankopen die de afgelopen twee jaar door de leden van het Miniconvent zijn ingediend, zijn állemaal gehonoreerd, voor een totaalbedrag van bijna 1,5 miljoen euro.”

In de museale wereld is met verbazing gereageerd op het initiatief van het Miniconvent. Mascha Roesink, directeur van Museum De Paviljoens in Almere vindt het vreemd dat de zeven grote musea zich uitspreken namens de hele museumwereld, terwijl grote musea als het Bonnefantenmuseum en het Van Abbemuseum de brief niet hebben ondertekend. „De Mondriaan Stichting is er niet voor kunstmusea alleen, maar dient ook een groter algemeen belang: de professionalisering en internationalisering van de beeldende kunst. Ik vind het ontzettend jammer dat de zeven musea het zo hoog spelen. Hier is niemand mee gediend.”

Volgens Roesink is de Mondriaan Stichting juist „prikkelend en uitdagend bezig”. Ze geeft toe dat De Paviljoens de laatste jaren ook meermalen afwijzingen heeft gehad op subsidieverzoeken. „Het beleid van de Mondriaan Stichting komt ons ook niet altijd goed uit. Maar de afwijzingen worden wél altijd goed beargumenteerd.”

Dirk Houtgraaf, adjunct-directeur van Museum Naturalis in Leiden is al net zo verbaasd over de kritiek. „Wij zijn geen kunstmuseum, maar we doen wel projectaanvragen voor tentoonstellingen bij de Mondriaan Stichting. En het beeld dat in de brief van de musea geschetst wordt, herken ik totaal niet. Mijn ervaring is dat er door de Mondriaan Stichting goed geluisterd en gediscussieerd wordt, en dat onze subsidieverzoeken gedegen en beargumenteerd behandeld worden.”

Jetteke Bolten, directeur van Museum De Lakenhal in Leiden, dat niet is aangesloten bij het Miniconvent, zegt dat ze de aard van de brandbrief wel begrijpt. „Het is altijd goed om onvrede te melden. Er is bij de musea behoefte aan een betere overlegstructuur. De Mondriaan Stichting zou beter moeten communiceren als er nieuw beleid wordt uitgevoerd. Uit eigen ervaring weet ik dat afwijzingen van subsidieaanvragen soms niet helder worden beargumenteerd.” Ook onderschrijft Bolten het onbegrip van de musea over de prijsvraag die de Mondriaan Stichting had uitgeschreven voor het beste plan om allochtonen te trekken. „Daar had ik zelf ook mijn twijfels over. Met zo’n prijsvraag kon ik als museum geen kant op.”