Het huis van God verliest zijn glans

Zo’n 12.000 jaar was de Kilimanjaro een wit bekapte berg. Nu verdwijnt de sneeuw als gevolg van klimaatverandering. Maar zonder het water van de besneeuwde vulkaantop is er geen leven aan de voet van de berg.

Amboseli, 6 nov. - Het huis van God verliest zijn glans. „Het ijs van de witte berg verdwijnt. God hoeft niet te verhuizen, maar wij en de dieren zullen straks moeten wegtrekken”, zegt een Maasaiherder in de schaduw van de Kilimanjaro.

De sneeuw- en ijskappen van Afrika’s hoogste bergen smelten. Van de Kilimanjaro verdween volgens onderzoekers sinds 1912 ongeveer 80 procent van het ijs, van de Mount Kenya meer dan 90 procent en van de twee vierkante kilometers gletsjers in 1987 op de bergketen de Ruwenzori was vorig jaar nog 0,96 vierkante kilometer over. Wetenschappers verwachten dat over vijftien jaar de vulkaantop van de Kilimanjaro niet meer wit is, maar gitzwart.

De Griekse ontdekkingsreiziger Claudius Ptolemaeus berichtte achttien eeuwen geleden over de in de mist opgetrokken Bergen van de Maan, die later Ruwenzori gingen heten. De eerste blanke ontdekkingsreizigers noemden de verhalen van Afrikanen over sneeuw op de evenaar fabels, tot in 1848 missionaris John Rebmann met eigen ogen de Kilimanjaro aanschouwde. Schrijver Ernest Hemingway situeerde zijn klassieker De sneeuw van de Kilimanjaro over een stervende schrijver aan de voet van de berg en omschreef de ijsvelden als „wijd als de wereld, groot, hoog en onwaarschijnlijk wit in de zon”. De toeristenindustrie adopteerde de berg als lokmiddel voor paradijselijk Afrika.

In het wildpark Amboseli aan de Keniaanse kant van de berg waadt een groepje olifanten in de modder van de moerassen. Enkele jaren geleden nog stond hier volop water, dat door de smeltende sneeuw en door lekken onder aan de honderd meter dikke ijslaag de berg afstroomt. Een pelikaan moddert voort, nijlpaarden knorren en jonge buffels voeren aan de rand van het moeras een schijngevecht. De twee moerassen van Amboseli liggen omsloten door kurkdroge vlaktes met razende wervelwindjes; zonder het water van de Kilimanjaro zou hier niets en niemand leven.

Het herdersvolk de Maasai op de savanne aan de noordkant noemt de bijna zesduizend meters hoge Kilimanjaro de ‘berg van God’. Bij hun zegeningen verwijzen ouderen naar de berg en bij hun gebeden voor een overvloed aan kinderen en koeien richten ze zich tot het huis van God. Een groep herders mag van de Keniaanse overheid in Amboseli met hun vee naast de wilde dieren grazen. Maar de moerassen waaruit ze drinken drogen op.

Hoofdwildwachter Titus Mitau zit onder een poster waarin Amboseli het Hof van Eden heet, de wilde dieren als de hofhouding van God. Die wilde beesten leggen Kenia geen windeieren: dagelijks bezoeken zo’n 4000 toeristen het park, de hotels zitten propvol, files vormen zich rond parende leeuwen of trompetterende olifanten. Kenia’s toeristenindustrie is naast die van Zuid-Afrika de grootste van het continent. Amboseli brengt de overheid jaarlijks miljoenen aan harde valuta op. „Geen twijfel mogelijk”, vertelt Mitau, „we zien de sneeuwkap smelten, vijf jaar geleden lag er meer sneeuw op de top en stond er meer water in de moerassen. De aantrekkingskracht van de berg zal voor de toeristen verdwijnen.”

Een geschatte 12.000 jaar was de Kilimanjaro een wit bekapte berg. De ijskap doet dienst als een archief van de historie, met gegevens over een verleden dat vochtiger blijkt te zijn dan nu. Volgens de in het ijs opgeslagen gegevens waren er 8300, 5200 en 4000 jaar geleden droogtes maar de ijskap smolt nooit helemaal. Er is dus sinds honderd jaar iets ingrijpends aan de gang. Net als de wetenschappers kent Mitau niet met zekerheid de oorzaak. Hij noemt de hogere temperaturen, ontbossing op de hellingen en minder regenval, en de toename van mensen en dieren. „In 1975 waren er 500 olifanten in Amboseli, nu 1500. De gevolgen van deze overbevolking kunnen we niet meten, maar we zien wel steeds minder bomen. Sommige olifanten trekken al weg naar Tanzania want daar is het milieu beter.”

De witte toppen fungeren als waterreservoirs. Het water van de ruim vijfduizend meter hoge Mount Kenya voorziet in 80 procent van de elektriciteitsbehoefte van Kenia. Het water van de Ruenzori voedt het Victoriameer en de Nijl; de oppervlakte van het Victoriameer daalde de afgelopen paar jaar met anderhalve meter, met ernstige gevolgen voor Oeganda’s stroomvoorziening en economische groei. Aan de Tanzaniaanse zijde van de Kilimanjaro zijn duizenden boertjes afhankelijk van de waterstroompjes van de berg.

De ontwikkelaars van Kenia legden twintig jaar geleden een pijpleiding aan vanaf de Kilimanjaro naar de dorstige stadjes Machakos en Kajiado in en rond Maasailand. Gulzige zakenlui en politici legden echter beslag op het goddelijke water, dat nu naar rozen vloeit in grote kassen. Kweekbloemen op de savanne die, na een tussenstop in Aalsmeer, Europese en Amerikaanse huiskamers opfleuren. Leden van de landbouwstam de Kikuyu vestigden zich in Maasai-land bij het stadje Loitoktok en begonnen het ijswater aan te wenden voor irrigatie. Van het water blijft voor de oorspronkelijke bevolking – de Maasai en de wilde dieren – niet veel over.

Wat zijn de gevolgen als de sneeuw straks is verdwenen? Het antwoord van wildwachter Mitau volgt rap: „Dan is Amboseli gedoemd, dan moeten de Maasai en de beesten hier weg, dan wordt de hofhouding van Eden verbannen.”