‘Er zijn 30 echte probleemwijken’

Geld voor probleemwijken wordt versnipperd over te veel wijken, vinden de vier grote steden. „We moeten ons gaan beperken tot de echte probleemgebieden.”

Het probleem van de achterstandswijken in grote steden is geen verkiezingsthema. Onbegrijpelijk, vindt de Rotterdamse PvdA-wethouder Dominic Schrijer (Werk, Sociale Zaken en Grote Stedenbeleid). Ten eerste omdat het om een „tikkende tijdbom” gaat. Ten tweede omdat de politieke tegenstelling zo helder is. „Als het aan CDA en VVD ligt moeten de steden het lekker zelf uitzoeken. De PvdA wil juist meer geld voor het grote stedenbeleid, en dat geld beter besteden.”

Minister Winsemius (VROM, VVD) zou niet misstaan in een links kabinet, meent Schrijer. De minister, door een vorige functie vertrouwd met Rotterdamse probleemwijken, sloeg vorige week alarm over oude stadswijken. Armoede, werkloosheid, schooluitval, criminaliteit en uitzichtloosheid heersen in wijken waar iedereen met enig perspectief is weggevlucht. In veertig wijken „dreigt de vlam in de pan te slaan”, aldus Winsemius in de Volkskrant. Anders dan zijn partij wil hij dat het rijk blijft investeren in de steden.

Mede namens zijn collega’s in Amsterdam, Den Haag en Utrecht pleit Schrijer voor een koerswijziging in het grote stedenbeleid. Het geld moet niet langer worden verdeeld over de 31 steden van de samenwerkingsverbanden G4 en G27, maar over een beperkt aantal wijken met hardnekkige problemen. Schrijer denkt aan maximaal dertig wijken, in circa vijftien steden. Hij noemt Rotterdam, Den Helder, Enschede, Leeuwarden, Heerlen, Sittard. Steden als Amsterdam, Utrecht en Amersfoort scoren op bepaalde gebieden beter dan gemiddeld en kunnen daarom met minder rijksgeld toe.

Dat wordt knokken tussen steden.

„Niemand zegt: haal het maar bij mij weg. Maar als je doorpraat erkennen wethouders van andere steden dat de problemen in bijvoorbeeld Rotterdam ernstiger zijn dan elders. Alleen als het budget omlaag gaat, krijgen we een stedenstrijd.”

Uit lobby-overwegingen moet u benadrukken hoe slecht het gaat in Rotterdam. Is dat niet moeilijk?

„Ik wil vooral een heldere, door iedereen erkende systematiek om achterstand te meten. De 56 ‘wijken’ waar VROM nu mee werkt zijn veel te groot. Beter is een monitor zoals Blair in Engeland heeft geïntroduceerd, met vijf indicatoren: onderwijs, werk, wonen, gezondheid en veiligheid. Dan weten we waar de problemen het grootst zijn. En dan krijgen we niet langer van die onzinnige lijstjes van Sociaal en Cultureel Planbureau. Die kwamen laatst met een onderzoek naar ‘woonomgevingskwaliteit’, waarbij geluidshinder en fijnstof meewogen. Een dure Haagse wijk bleek heel slecht, Rotterdam kwam er niet in voor.”

De G4 wil het geld aan minder wijken uitgeven, maar ook aan minder problemen. Wat weegt het zwaarst?

„Het gaat ons om vier domeinen: opvoeding en onderwijs, werk en inkomen, huisvesting, veiligheid en leefbaarheid. Dat zijn ook de domeinen waar de integratie van migranten vorm krijgt. Integratie vindt plaats in drie fasen: segregatie, conflict en accommodatie. In Nederland zitten we in de overgangsfase naar accommodatie, de wederzijdse openstelling van bevolkingsgroepen. Dat lukt alleen als we die vier domeinen aanpakken. Daar vindt socialisatie plaats, deelname aan de samenleving.”

Grote stedenbeleid is eigenlijk integratiebeleid?

„Nee, het doel is bestrijden van achterstand door de groeiende kloof binnen steden en binnen wijken te overbruggen. Maar veel bewoners in probleemwijken zijn migranten, dus daar moet je je ook op richten. Bijvoorbeeld door als overheid moraliserend op te treden ten aanzien van opvoeding. We zijn te lang bang geweest om tegen ouders te zeggen dat kinderen sturing nodig hebben. Bij elk van die vier domeinen moeten we zulke doorbraken forceren.”

Het huidige grote stedenbeleid is uitgewerkt, constateren diverse planbureau’s. Waarom gaat het nieuwe beleid wel werken?

„Omdat betrokken partijen zich er aan moeten verbinden. Net als in Engeland willen we dat de minister, gemeenten, instellingen als schoolbesturen of woningcorporaties en bewoners met elkaar bindende afspraken maken.”

Waarom worden probleemwijken niet als een urgent gevaar gezien?

„Omdat opiniemakers, bestuurders en journalisten niet dagelijks met die wijken te maken hebben. Het algemene gevoel is dat het goed gaat met Nederland, maar dat is een beperkte waarneming. Er is niet, zoals bij de opkomst van Fortuyn, een sfeer van onvrede en negativisme. Maar er zijn wel grote groepen stadsbewoners die zich buitengesloten voelen. Dat kan bij autochtonen makkelijk leiden tot rechts-extremisme, en bij moslimjongeren tot religieus-extremisme. En dan raakt het heel wat meer mensen dan alleen de bewoners van die probleemwijken.”