Een vergeten vrucht

Nee nee, die gele peren met dat ‘stoflaagje’ zijn niet rot. Het zijn bedonsde kweeperen.

Onze voorouders noemden deze vergeten vrucht al ‘bequaem’: lekker én geurig.

Schoongemaakte kweeperen, ontdaan ‘ van ’t wollige dat’er aen is’. Foto David Galjaard Schoongemaakte kweeperen, ontdaan van 't wollige dat'er aen is'. Foto David Galjaard Galjaard, David

„Wat zijn dat nu?” vroeg iemand, wijzend op de schaal bedonsde vruchten die op mijn tafel stond. Het was iemand die werkelijk wel van eten houdt. Laatst gebeurde het weer, nu met iemand anders: „Hoort dat stof op die peren?” vroeg ze.

Het was geen stof en het waren geen peren. Nu ja, min of meer wel, het waren kweeperen of kweeën. Je hebt ook kweeappels. Je ziet ze in oktober aan de bomen hangen als gele lampionnetjes, en je krijgt de indruk dat zelfs veel mensen die in het bezit zijn van een kweepeerboom niet goed weten wat ze met die kweeën moeten. Ze blijven maar hangen.

Die mensen hebben zo’n boom dan misschien meer vanwege de mooie boom en de grote geurige bloesems in het voorjaar dan vanwege het fruit. En begrijpelijk is dat alleszins, want van een beetje boom komt krankzinnig veel fruit en met kweeperen is het bovendien als met stoofperen: je hebt er niets aan als je er niet iets mee doet.

Kweeperen of kweeappelen zijn geen peren of appelen, ondanks hun naam. De gewone kwee (cydonia oblonga) is een struik of boom die al heel lang in Europa voorkomt, ook in onze streken. Aanvankelijk hoorde hij thuis in het Middellandse zeegebied, maar de Romeinen brachten hem al mee deze kant op, dus een echte nieuwkomer is het niet – aardappelen zijn veel recentere immigranten.

Maar anders dan de mediteraniërs zijn wij de kweepeer tamelijk uit het oog verloren, getuige ook de verbaasde vragen naar aanleiding van mijn schaal kweeën. Ik had ze gekregen van iemand met een boom, die me zelf had laten plukken, dus ze waren nog helemaal onbedorven, met nog wat blad eraan en bedekt met een laagje ‘stof’ dat wij kweeënliefhebbers graag ‘dons’ noemen.

Dat grijzige dons over het stralende geel staat heel mooi, maar als je iets met de kweeën wil doen, of als je ze echt als lampionnetjes wil laten schijnen, moet dat dons er natuurlijk af – even onder de kraan of gewoon wrijven met een oude lap en het is gebeurd. Het is een feest om kweeën op een schaal te hebben liggen, want ze ruiken heerlijk, sommige mensen schijnen ze zelfs in de garderobekast te hangen vanwege de geur. Maar op den duur zullen ze dan toch wel verrotten en een heel wat minder aangename geur gaan verspreiden.

De kwee is ooit ook in Nederland een vrucht geweest die echt gebruikt werd, in gelei, moes, taart, likeur. Het 17de eeuwse kookboek De verstandige kock bevat allerlei kweerecepten: twee manieren om ‘Quee-peeren’ te konfijten, een rode marmelade van kwee (met rode wijn) waarover gezegd wordt ‘tis bequaem’, dus men vond het wel lekker. Verder ook een manier om kweeën voor bederf te behoeden door ze in een vloeistof te bewaren, natuurlijk wel nadat „ghy uwen Queen schoon hebt afgevaeght van ’t wollige dat’er aen is”.

En natuurlijk een recept voor ‘Quee-vlees’ en ‘Quee-koeckjes’, stijve gelei van kweepeer die de meeste mensen, als ze hem al kennen, kennen als ‘mebrillo’ de Spaanse lekkernij die met manchego schapenkaas gegeten wordt als tapa. Als kweesnoep aten de 17de eeuwers het al, die, als je hun kookboeken bekijkt gemiddeld heel wat smakelijker aten dan wij moderne Nederlanders en van wie we dus beslist moeten leren.

Maar ja, de kwee was lang weg en is pas weer terug gekeerd dankzij de Turken en Marokkanen die deze kant opkwamen en die hun kweeperen niet zijn gaan verwaarlozen. Bij Turkse groenteboeren zie je ze wel liggen. Aanvankelijk tot mijn grote vreugde, maar toen ik ze kocht en kookte vond ik toch wel dat iedereen die altijd zo hevig deed over de verrukkelijke geur van kweeperen wel wat overdreef. Zó verrukkelijk, zo intens honingachtig was het nu ook weer niet bepaald.

Inmiddels heb ik menigmaal ‘verse’ kweeperen gekocht en gekookt en moeten toegeven dat die inderdaad ongelooflijk heerlijk ruiken – zelfs het kookwater van kweeën is al geurig en geweldig, ook van kleur: bleekroze, helder, geurend naar perenhoning – dat smeekt eenvoudigweg om gebruik, direct als drank, of ingekookt tot gelei of tot limonadesiroop.

En dat water is alleen nog maar een bijproduct van de moes die je van plan was te maken, nog steeds op de manier waarop ze het in de 17de eeuw ook al deden: door de kweeën doormidden gesneden maar met schillen en klokhuizen en al (maar zonder de wol) te koken, ze daarna te schillen en te ontpitten en te malen of fijn te stampen.

Dan weeg je de gestampte peren en doet die met hetzelfde gewicht aan suiker in een pan. Koken en roeren tot het dik wordt, en dan op een bakplaat storten of op een vel vetvrij papier. Eventueel nog verder laten drogen in de oven – het moet uiteindelijk een stijve pasta worden. Die kan maanden bewaard worden.

Maar moes, gelei of taart (taart met kweepeer is ook erg lekker) is niet het enige wat met kwee kan. Dat weten die Turken en Marokkanen maar al te goed. Kweeperen zijn ook verrukkelijk in een lamstoofschotel, en voor niet-islamieten, ook in een stoofschotel met varkensvlees – er bestaan ook recepten voor vis met kweepeer of tomatensaus waar kweepeer in gaat.

Laten wij de kweeperen weer terughalen. Vragen bij gewone groenteboeren of ze eens wat kweeën willen meenemen. Hun geurige gestaltes op onze fruitschalen leggen. Hun harde lijven doorklieven en ze tot moes koken. Voor een welriekende herfst.

Zelf een kweepeer planten? Log in op www.tuinkrant.com of 27133 naar 7585.