Een Afghaans tapijtje voor de Nederlandse minister

Minister Bot sprak op de Nederlandse basis in Tarin Kowt met de stamhoofden van Uruzgan. Hij noemde het na afloop positief dat de hoofden nu het gezag van gouverneur Munib lijken te accepteren.

Tarin Kowt, 6 nov. - Twee aan twee worden de stamhoofden van Uruzgan van de toegangspoort van de Nederlandse basis in Tarin Kowt – waar zij op explosieven zijn onderzocht – per auto overgebracht naar de speciale ruimte waar zij Bernard Bot, minister van Buitenlandse Zaken, zullen ontmoeten.

De ruimte bestaat uit aan elkaar geschakelde, gepantserde containers. Zij doet normaal dienst als alcoholloze caféruimte voor de Nederlandse militairen. ’s Zondags biedt zij ruimte aan de Nederlandse kerkdienst, reden waarom aan de muur een manshoog houten christelijk kruis is bevestigd.

Hieronder verzamelen zich enkele tientallen stamhoofden, elk keurig met een bordje voor zich in het Pashtun. Sommige stamoudsten ontbreken, volgens Bot het gevolg van de grote afstanden en gevaar op de weg van bermbommen.

Niemand van de streng-islamitische aanwezigen – Uruzgan geldt algemeen als het Staphorst van Afghanistan – lijkt aan het christelijke kruis aanstoot te nemen. Beleefdheid is troef: de gasten hebben voor Bot zelfs een cadeautje meegebracht, een Afghaans tapijtje.

De stamhoofden vormen een bont gezelschap: jong en oud, allen traditioneel maar toch heel verschillend uitgedost. Wel steeds met baard en dezelfde neutrale uitdrukking op het gezicht. Een enkeling lijkt een soort secretaris bij zich te hebben, die aantekeningen maakt. Nadat Nederlandse thee en koffie zijn rondgedeeld in kartonnen bekertjes, begint de bijeenkomst met gebed – enkele soera’s uit de Koran wel te verstaan.

Het betreft hier een tegenbezoek, heeft Bot voorafgaand aan de ontmoeting uitgelegd. Een halfjaar geleden had hij de stamoudsten al eens ontmoet, toen in de Afghaanse hoofdstad Kabul. Bij die gelegenheid hadden deze laten weten dat de volgende ontmoeting bij hen, in Uruzgan, moest zijn. Maar waarom in de Nederlandse legerplaats en niet in het naburige stadje? Over de redenen wordt door betrokkenen besmuikt gedaan, maar ze laten zich raden: te gevaarlijk.

De idee achter Bots contact met de stamoudsten is om steun te vragen voor de Nederlandse militaire missie in Uruzgan aan de traditionele machtsstructuren in een gebied, waar heel lang de Afghaanse staat weinig tot geen rol heeft gespeeld. Wie daar wel macht hebben geoefend zijn de Talibaan – de politiek-religieuze beweging die in 2001 door de inval van Westerse troepen uit de macht is verdreven. Deze zomer hebben de Talibaan in het zuiden van Afghanistan, een opmerkelijke militaire comeback gemaakt.

Bot maakt vóór de ontmoeting geen geheim van het doel van zijn contact met de stamhoofden: wanneer zij ervan doordrongen zijn dat zij meer te verwachten hebben van de Nederlanders, dan van de Talibaan zullen zij hopelijk hun loyaliteit leggen bij de opbouw brengende buitenlanders, en niet bij de Talibaan, die de loyaliteit met geweld afdwingen.

Het zou ook zeer wenselijk zijn dat zij daarbij hun onderlinge rivaliteiten begraven, merkt gouverneur Munib op. Hij zit als eerste spreker samen met Bot aan het hoofd van de tafel de bijeenkomst voor. Munib is door de Afghaanse regering van president Karzai – op dringend verzoek van Nederland – aangesteld als opvolger van de vorige gouverneur Jan Mohammed. Mohammed was een persoonlijke vriend van Karzai. Hij bestreed weliswaar krachtig de Talibaan, maar bracht verder weinig mee dat in Nederlandse ogen als ‘behoorlijk bestuur’ zou kunnen gelden. Hij speelde het spel van de stamrivaliteit met verve, om de eigen ‘huismacht’ veilig te stellen. Volgens ingewijden dreef hij privé-gevangenissen en misbruikte hij lokale jongetjes als seksslaafje.

„In de naam van God de almachtige, en namens de regering van Afghanistan en het volk van Uruzgan”, zegt Munib bezwerend, „bewaren de Nederlandse troepen de tradities van het volk van Uruzgan en voor dit doel werken wij nauw samen. Eerste opdracht is daarbij de gelijkwaardigheid tussen de stammen te bewaren.” De stamhoofden luisteren uiterlijk onbewogen maar oplettend toe.

Daarna neemt Bot het woord om de stamhoofden te verzekeren dat de Nederlanders het beste voor hebben, maar dat – uiteindelijk – de toekomst van Afghanistan natuurlijk in de hand van de Afghanen ligt. „Wij bemoeien ons niet in uw persoonlijke aangelegenheden, of met uw normale en wettige aangelegenheden; wij willen uw gebruiken niet veranderen en respecteren uw familiestructuren en uw wetten”, zegt hij.

De Nederlandse militairen willen helpen met de opbouw. Maar als er gevochten moet worden dan gebeurt dat. „U hebt gezien welke overweldigende kracht we ter beschikking hebben. Wij zijn niet bang te vechten", aldus Bot. Maar liever hélpen de Nederlanders, van verbetering van de gezondheidszorg tot het opknappen van moskeeën.

Na deze toespraken kan de gedachtewisseling beginnen. Maar daarbij is de pers niet meer welkom. Een paar uur later staat Bot bij de stoffige airstrip van Tarin Kowt te wachten op een Canadees vliegtuig dat hem naar de hoofdstad Kabul brengt voor een ontmoeting met president Karzai. Een hoge diplomaat van het ministerie van Buitenlandse zaken draagt het kleedje.

De vorige keer, bij de ontmoeting in Kabul, hadden de stamoudsten een waslijst aan verlangens: irrigatieprojecten, wegen, scholen, wat niet al. Volgens Bot hebben zij zich echter nu ontvankelijk getoond voor het argument dat er meer tijd nodig is – tenslotte zijn de Nederlanders in Uruzgan nog maar drie maanden bezig. En ook dat er van hun kant wel wat tegenover moet staan natuurlijk. Zij moeten proberen de Talibaan geen kans te geven in hun provincie. Aangenaam verrast is Bot door de indruk, dat gouverneur Munib, bij de vorige ontmoeting nog duidelijk een vreemde eend in de bijt, nu door de stamoudsten geaccepteerd lijkt. De stamoudsten zelf zitten op dat moment nog aan de lunch, verzorgd door een plaatselijke traiteur.