Cultuurfondsprijs

Als de hemel niet naar beneden is gekomen – en dat was vanochtend niet voorspeld –, als alles dus is gegaan zoals de bedoeling was, dan heeft de Utrechtse taalkundige Nicoline van der Sijs vanmiddag in Amsterdam de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs voor de Geesteswetenschappen in ontvangst genomen.

Ik ken Nicoline van der Sijs persoonlijk en dat maakt het altijd lastig om over haar te schrijven. Maar dit is een taalrubriek en ik kan er natuurlijk niet omheen dat de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs voor de Geesteswetenschappen voor het eerst aan een taalkundige is uitgereikt. Sterker nog, ik wil daar helemaal niet omheen, want ik vind het geweldig dat Van der Sijs die prijs krijgt.

Waarom? Omdat zij de afgelopen tien jaar het ene na het andere standaardwerk heeft gepubliceerd – over leenwoorden in het Nederlands, over de chronologie van de Nederlandse woordenschat en over het ontstaan van het Algemeen Beschaafd Nederlands (om me tot haar belangrijkste boeken te beperken).

Bijzonder is dat Van der Sijs niet verbonden is aan een universiteit. Zij is niet in dienst van een vakgroep die haar heeft betaald om al die prachtboeken te schrijven, nee, zij heeft ervoor gekozen om sober te leven en het grootste deel van haar tijd te wijden aan haar boeken. Ook de jury van de cultuurfondsprijs, die 50.000 euro bedraagt, wist dit te waarderen. „De jury heeft grote bewondering”, zo staat in het juryrapport, „voor de activiteiten van deze zelfstandig werkende geleerde die, buiten het universitaire circuit werkend, haar onderzoeksterrein, met name de etymologie, nieuwe impulsen heeft weten te geven en tegelijk een groot publiek blijkt te kunnen boeien, nuchter en zonder taalmoralisme.”

Dat laatste is inderdaad een andere grote verdienste: Van der Sijs is nuchter en nooit belerend. Zij doet geen concessies aan de nog altijd wijdverbreide neiging om taalverschijnselen goed of af te keuren. Nee, zij gaat te werk als een historicus: terug naar de bronnen, die zij systematisch doorwerkt, om uiteindelijk op basis van een analyse van de feiten conclusies te kunnen trekken. Zo heeft zij al menig heilig huisje omver geduwd en veel nieuws aangedragen.

Doordat Van der Sijs zo’n spitter is, heeft zij veel geleerd over wat er op het gebied van de Nederlandse taal in de afgelopen tweeduizend jaar is gebeurd – op allerlei terreinen. Het aardige is dat zij dit, ter gelegenheid van de cultuurfondsprijs, heeft vastgelegd in een calendarium van het Nederlands.

Als alles is gegaan zoals de bedoeling was, en daar ga ik bij het schrijven van dit stukje maar van uit, dan is dat Calendarium van de Nederlandse taal vanmiddag in Amsterdam gepresenteerd. Nou zou ik graag uitvoerig uit dit boek citeren, want er staan veel interessante en sappige dingen in, maar noodgedwongen moet ik me beperken tot de oudste en de jongste ingang (de inleiding niet meegerekend).

Bij 12 v.Chr. lezen we: „Voor het eerst is sprake van de Batavi ‘Bataven’, die wonen in het rivierengebied. De naam Bataven is waarschijnlijk afgeleid van het Germaanse *bata ‘beter’, verwant met Nederlands beter; de Bataven noemen zichzelf dus onbescheiden ‘de beteren’. Het gebied tussen de Rijn en de Waal wordt Insula Batavorum ‘eiland van de Bataven’ genoemd (wat tot de moderne naam Betuwe heeft geleid).”

En de laatste ingang luidt: „2006. In november 2006 verschijnt het eerste calendarium van de Nederlandse taal.”

Volgens mij is het nog sterker: voor zover ik weet is Nicoline van der Sijs de eerste die de geschiedenis van een taal in deze aantrekkelijke vorm presenteert.

Zie ook www.nrc.nl/woordhoek. Reacties naar e.sanders@nrc.nl.