Concurrentie in kunst is niet altijd ‘eerlijk’

Adviestarieven voor schrijvers moeten worden losgalaten, volgens de Mededingingswet. Het is een harde klap voor een ‘kwetsbare beroepsgroep’

„Een klap in het gezicht, een verworvenheid van jaren wordt met een pennenstreek teniet gedaan”, zegt schrijver René Appel, tevens voorzitter van de de Vereniging Van Letterkundigen (VvL).

Afgelopen week werd bekend dat de VvL de adviestarieven in haar modelcontracten moet laten vallen, omdat ze in strijd zijn met de Mededingingswet. Deze beslissing, die schadelijke gevolgen kan hebben voor de inkomsten van schrijvers, vertalers en scenaristen, staat niet op zichzelf. Eerder lieten ook andere culturele beroepsorganisaties hun adviestarieven los, uit angst voor boetes van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), de uitvoeringsinstelling van de mededingingswet.

Aan het honderdjarig bestaan van De Vereniging van Letterkundigen zit nu een wrange bijsmaak. Omdat zij geen prijsadviezen meer mag geven, biedt zij haar leden nog maar weinig zekerheid. In de jaren zeventig zijn royalty’s in modelcontracten vastgelegd, in een herenakkoord tussen de uitgevers en de VvL. Ze doen dienst als minimumnorm voor een ‘kwetsbare beroepsgroep’, zegt Willemiek Seligmann, directeur van de belangenorganisatie Vereniging van Schrijvers en Vertalers, waarbij de VvL is aangesloten.

Andere culturele beroepsorganisaties, zoals de Fotografen Federatie en de Bond Nederlandse Architecten, hebben door het strenge toezicht van de NMa hun adviestarieven al laten vallen. Woordvoerders van die beroepsorganisaties signaleren een toename van onzekerheid over de prijzen.

De NMa krijgt dus gedaan waar zij voor opgericht is: het bevorderen van eerlijke concurrentie. Voorstanders van bescherming van de culturele sector menen echter dat de NMa eraan voorbij gaat dat de kunstmarkt wat concurrentie betreft zijn eigen wetten volgt. Een kunstfotograaf deelt immers bij zijn foto’s geen kortingsbonnen voor de Efteling uit, omdat niet zozeer de prijs, maar de artistieke waarde van zijn werk doorslaggevend is bij een aankoop. De commerciële waarde van het kunstwerk is doorgaans minder dan de culturele waarde.

Daarbij komen de argumenten dat artistieke beroepen meestal slecht betaald zijn en kwetsbaar staan tegenover haar contractpartijen omdat ze niet verenigd zijn in een vakbond. Ook is het afschaffen van prijsrichtlijnen volgens velen in strijd met de gedachte dat kunst in bescherming moet worden genomen tegen de werking van de markteconomie, zoals dat in artikel 151 van het Verdrag van Maastricht is vastgelegd. Volgens Seligmann is de enige ‘structurele oplossing’ dan ook dat er een wettelijke regeling komt die het wél mogelijk maakt collectieve prijsafspraken te maken door belangenorganisaties van auteurs en andere artistieke beroepen.

Arjo Klamer, hoogleraar Economie van Kunst en Cultuur aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, vertegenwoordigt een Angelsaksische gedachte van kunstbescherming. Hij onderschrijft hetzelfde probleem: kunst is geen product als een wasmachine, omdat de samenleving er een culturele waarde aan toekent die niet in geld is uit te drukken. Klamer: „Maar overheidssteun is vaak oneerlijk. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Joop van den Ende die serieus toneel wil gaan maken, maar onmogelijk kan concurreren met gesubsidieerde gezelschappen als Toneelgroep Amsterdam. ”

Voorstanders van kunstbescherming moeten een voorbeeld nemen aan de Verenigde Staten, vindt Klamer. Daar is een bloeiende kunstsector mogelijk zonder veel staatssteun, omdat vermogende kunstliefhebbers de kunstfondsen financieel ondersteunen. Als zulke kunstondersteuning zijn intrede doet in Europa, heeft dat positieve gevolgen voor het culturele klimaat in Europa en hoeven overheden zich niet langer schuldig te maken aan concurrentievervalsing, vindt Klamer.