Zwemmers moeten ‘tegennatuurlijk’ presteren

Zwemmers presteren beter in de late middag dan in de (vroege) ochtend, blijkt uit onderzoek. Mede daarom verzetten zij zich tegen de olympische zwemfinales in ‘Peking’, die vroeg op de dag worden gehouden.

Wat ‘zeuren’ ze toch, die zwemmers? Als er een sport is waarbij de beoefenaars voor dag en voor dauw naast hun bed staan, dan zijn het wel de ‘slaven van het water’. ’s Ochtends in alle vroegte trainen, ’s middags weer het water in – menigeen weet niet beter. Dus vanwaar dat hevige verzet tegen het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de zwemfinales over minder dan twee jaar in Peking in de ochtenduren te houden?

Die „kortzichtige geluiden” heeft Jacco Verhaeren, technisch directeur bij de Nederlandse zwembond, inmiddels ook vernomen. „Maar daar draait deze discussie niet om.” Waar die volgens hem wél om draait: „Uit louter commerciële overwegingen (tv-gelden, red.) hebben de hoge heren er een beslissing doorheen gedrukt, zonder zich ook maar één moment te bekommeren om de tegenargumenten.”

Verhaeren ontkent niet dat zwemmen in zekere zin een ochtendsport is. „Wij doen niets anders dan ons bezighouden met topsport in de vroege uren, om de doodeenvoudige reden dat onze series (kwalificaties, red.) van oudsher in de ochtend worden gezwommen. Als we daar geen speciale aandacht aan zouden besteden, zouden we helemaal geen middag (finale en halve finales, red.) hebben. Maar het accent ligt uiteraard in de late middag of de vroege avond, als het er echt om gaat. Dit besluit druist rechtstreeks in tegen de fysiologische wetten; men dwingt ons om onze dagen te verlengen, en dat bij een toernooi dat ruim een week duurt.”

Zwemmen geldt als een sport waarbij fysieke kracht en uithoudingsvermogen een doorslaggevende rol spelen. En dus durft Serge Daan, hoogleraar in de gedragsbiologie, de stelling wel aan dat „het vanuit sportief oogpunt geen goed plan is om de zwemmers in de ochtend het water in te sturen voor hun finales”. Hij onderschrijft de vrees van Verhaeren en diens pupil, drievoudig olympisch kampioen Pieter van den Hoogenband, dan ook: „In de ochtend worden geen wereldrecords gezwommen, omdat het bioritme van de zwemmers daar normaal gesproken niet op afgestemd is.”

Ook Jos Geijsel, inspanningsfysioloog bij onder meer Ajax en de nationale hockeyploegen, plaatst kanttekeningen bij het – op last van de Amerikaanse zender NBC – gekozen tijdstip. „’s Ochtends ligt de lichaamstemperatuur lager dan ’s middags, met als gevolg dat de spieren later op de dag dag warmer zijn, en een sporter dus per definitie sterker én sneller is.”

Wat voor de spiermassa geldt, geldt ook voor de hormoonspiegel. „Dat leidt ’s middags tot meer spiercontracties en ook meer uithoudingsvermogen”, zegt Geijsel. „Het is niet voor niets dat uit elk onderzoek blijkt dat het ideale moment om een topprestatie neer te zetten tussen vier uur ’s middags en zeven uur ’s avonds ligt.”

Het bioritme stuurt zowel de lichaamstemperatuur als de hormoonhuishouding. Een goede nachtrust is onontbeerlijk. Verhaeren: „De zwemmers zijn niet zielig omdat ze straks vroeg hun bed uit moeten. Alleen: het worden ultrakorte nachten, want wil het lichaam een beetje uitgeslapen zijn, dan moet je minimaal vijf uur van tevoren (vijf uur ’s ochtends, red.) naast je bed staan. Dat ritme gaat slachtoffers eisen. Zeker onder diegenen die meerdere nummers zwemmen. Want echt vroeg naar bed lukt niet, met onvermijdelijke plichtplegingen als persconferenties en dopingcontroles.”

Niet alle sporters presteren beter in de (late) middag, op het moment dat lichaamstemperatuur en hormoonspiegel een maximum bereiken. In een twee jaar geleden gepubliceerd artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Chronobiology International constateren vijf bewegingswetenschappers dat het ‘optimale prestatiemoment’ niet voor alle sporten gelijk is. Zo is gebleken dat de accuratesse van tennissers ’s ochtends beter is dan ’s middags; hun slagen zijn dan preciezer. Daartegenover staat dat zij later op de dag gemiddeld beter (=harder) serveren.

Daan, verbonden aan de rijksuniversiteit Groningen, concludeert op basis van de bevindingen van zijn Engelse collega’s dat een zwemmer die zijn biologische klok „anders heeft gesynchroniseerd” in Peking in het voordeel is ten op zichte van concurrenten, die volledig zijn aangepast aan de lokale tijd. Die synchronisatie zou afgedwongen kunnen worden door met licht te manipuleren.

Zover wil Verhaeren niet gaan. „Het enige wat we kunnen doen is, behalve blijven ageren, meer intensiteit in onze ochtendtrainingen leggen. Wat niet wil zeggen dat ik de zwemmers ’s ochtends al de verzuring in laat zwemmen. Dat zou onverantwoord zijn, en wreekt zich; uiteindelijk ga je interen op het noodzakelijke herstel.”