Wederzijds wantrouwen tussen Europa en Turkije

Het botert niet tussen Europa en Turkije. Nog geen twee jaar geleden besloot de Europese Unie tot onderhandelingen met Turkije over toetreding. Daarna is wederzijds het wantrouwen alleen maar gegroeid.

Graag hadden de Finnen Europa een dienst bewezen. Tot het eind van het jaar zijn ze voorzitter van de Europese Unie. Wat zou het mooi zijn als zij erin zouden slagen enige beweging te brengen in de kwestie-Cyprus, die Europa en Turkije al zo lang scheidt. Maar voor dit weekeinde ingelast spoedberaad gaat niet door. De Finnen durfden het niet aan. De kans op succes was te klein.

Succes had betekend dat de EU en Turkije een akkoord hadden weten te bereiken over het toelaten van schepen en vliegtuigen uit Cyprus tot Turkse havens en vliegvelden. Maar zelfs over de opzet van de bijeenkomst – wie mochten er wel bij zijn en wie niet – kon geen overeenstemming worden bereikt.

Het is de zoveelste illustratie van de snel verslechterende verhoudingen tussen Europa en Turkije, het 70 miljoen inwoners tellende land dat grotendeels in Azië ligt, waarmee vorig jaar in de nacht van 3 op 4 oktober onderhandelingen over toetreding tot de EU officieel werden geopend.

Steeds serieuzer wordt er in Brussel rekening mee gehouden dat die onderhandelingen eind dit jaar wel eens grotendeels stopgezet kunnen worden. Cyprus – het EU-lid dat door Turkije maar niet wordt erkend – dreigt het directe breekpunt te gaan vormen.

Maar er is meer. Binnen Europa bestaat ook ongenoegen over het tempo van de hervormingen in Turkije om te voldoen aan de voorwaarden van het EU-lidmaatschap. Tegelijkertijd neemt in Turkije het enthousiasme voor de Unie zienderogen af.

In december 2004 werd premier Erdogan nog als een held binnengehaald toen hij het in Brussel voor elkaar had gekregen dat de Europese leiders besloten om het jaar daarop daadwerkelijk onderhandelingen met Turkije te beginnen. Van die feeststemming is weinig meer over. Het dagblad Milliyet publiceerde onlangs een peiling die er niet om loog. Nog maar 32,2 procent vindt dat Turkije „absoluut in de Europese Unie moet”. In 2004 was dat nog 67,5 procent. Maar liefst 25,6 procent vindt nu dat Turkije „absoluut niet” in de Unie moet, meer dan een verdubbeling vergeleken met vorig jaar (toen was dat nog 10,3 procent).

De Fin Olli Rehn, in de Europese Commissie belast met de portefeuille uitbreiding en daarmee de eerstverantwoordelijke voor de gesprekken met Turkije, heeft het sinds deze zomer stelselmatig over een naderende „treinbotsing” tussen Europa en Turkije die voorkomen zou moeten worden.

Vorige maand, tijdens een toespraak in de Turkse hoofdstad Ankara, maakte hij onomwonden duidelijk wie daarvoor de sleutel in handen heeft: Turkije. Rehn: „De hervormingen die Turkije doorvoert zijn bepalend voor de onderhandelingen. Daarom vindt het toetredingsproces ook grotendeels híer plaats en niet in Brussel.”

Dat het met de door Europa verlangde aanpassingen van het Turkse staats- en rechtssysteem niet goed gaat, zal komende woensdag blijken als de Europese Commissie haar jaarrapport over de ontwikkelingen in Turkije presenteert.

„Het tempo van de hervormingen neemt ontegenzeggelijk af”, stelde Michael Leigh, de hoogste ambtenaar van de Commissie die zich met het Turkije-dossier bezighoudt, vorige maand bij een discussiebijeenkomst in Brussel. Eerder had de Turkije-rapporteur van het Europees Parlement, de Nederlandse CDA’er Camiel Eurlings, hetzelfde geconcludeerd.

In uitgelekte conceptversies van het Commissierapport die in Brussel circuleren wordt Turkije aangerekend dat er nauwelijks vooruitgang wordt geboekt bij het beschermen van rechten van minderheden (lees: Koerden) en het beteugelen van de rol van het leger. Verder wordt vooral het gebrek aan het recht op vrije meningsuiting gehekeld.

Het is juist dit laatste punt van kritiek dat in Turkije grote boosheid wekt. Europa kritiseert Turkije voor elk incident dat daar plaatsheeft, maar over wat Europa zelf doet, zo zeggen veel Turken, hoor je niemand.

Een goed voorbeeld was een illegale demonstratie ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag vorig jaar in Istanbul. Die liep uit de hand en vele tv-camera’s legden vast hoe de Turkse oproerpolitie er als vanouds op los mepte. „Dat was disproportioneel geweld”, liet de Europese Commissie vanuit Brussel weten.

Toen enige tijd later de Franse politie er ook flink op los ramde, publiceerden Turkse media daar uitgebreid foto’s van. „Wie in Brussel levert er nu kritiek op Parijs”, was de retorische vraag die elke krant bij de fotoreportage stelde.

Inmiddels is er bijna elke maand een incident waarbij Turken de term ‘met twee maten meten’ in de mond nemen. Turkije heeft het befaamde artikel 301 van het wetboek van Strafrecht, dat belediging van de Turkse identiteit verbiedt. Op basis van dat artikel heeft de crème de la crème van de Turkse culturele elite (onder wie Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk) een proces aan haar broek gekregen. Dat artikel is fout en moet weg, zegt niet alleen Europa, maar zeggen tevens liberale Turken.

Maar ook dat liberale kamp ontstak in woede toen het Franse parlement vorige maand een wet aannam die de ontkenning van de Armeense genocide strafbaar stelt. Je bent voor vrijheid van meningsuiting of je bent ertegen, zeiden de liberale Turken in koor. En als je ervoor bent, moet je boos worden om elk proces dat aangespannen wordt om wat iemand zegt, niet alleen in Turkije, maar ook in Frankrijk.

Voor veel Europese hoofdsteden is de toenadering tot Turkije in feite alleen maar ingegeven door strategische en geopolitieke overwegingen: het ondanks zijn grote moslimpopulatie westers georiënteerde Turkije, gelegen naast Syrië, Irak en Iran, mag niet te veel van Europa vervreemd worden. In gesprek zijn met elkaar over een hoger doel, het lidmaatschap van de EU is daartoe het geëigende middel. Maar tegelijkertijd moet het steeds huiveriger electoraat thuis worden geapaiseerd. Dit is de spagaat waarin Europese leiders zich bevinden.

Ondertussen vertrouwt de Turkse publiek Europa niet meer en dat verzwakt de hand van premier Erdogan. Volgend jaar zijn er verkiezingen en bij alles wat Erdogan doet kijkt hij ongetwijfeld naar de peilingen. Die laten weinig ruimte voor grootse gebaren richting Brussel. Nationalisten beschuldigen hem nu al van een uitverkoop van Turkije en die beschuldiging zal, als hij concessies doet, alleen maar groter worden.

En zo staan Turkije en Europa nu tegenover elkaar. Vechtend over elke millimeter in een meer en meer vergiftigd klimaat. Of de treinbotsing echt aanstaande is? Niemand die het weet.

De Turkse minster van Buitenlandse Zaken, Abdullah Gül, liet zich onlangs tegen Turkse media ontvallen dat hij wel weet wat de werkelijke bedoelingen van Europa zijn. „Een aantal Europese leiders wil de spanningen met Turkije zo laten oplopen, dat wij ons zelf terugtrekken.”

Maar, zo voegde Gül hier onmiddellijk aan toe: „In die fuik moeten wij niet lopen.”

Zaterdags bijvoegsel: Allah tegen ataturk, pag. 38