We hebben de onvrede aan onszelf te wijten

170.000 burgers gaven hun mening over brandende kwesties

pagina 33-36

Nederland bevindt zich op een kantelpunt, stellen de samenstellers van de ‘21minuten’-enquête 2006 vast. Beter kun je zeggen: Nederland is een verscheurd land. We zijn behoorlijk gelukkig in een ongelukkige samenleving. Een groot deel van de ruim honderdzeventigduizend deelnemers toont zich dik tevreden over zijn eigen leven, maar niet over de Hollandse toestanden die men om zich heen ziet. Men is politiek geïnteresseerd, maar heeft bar weinig vertrouwen in de politiek. Nederland moet zich economisch internationaal laten gelden, desnoods ten koste van de eigen identiteit, maar men vreest de effecten van de globalisering; verdere eenwording van Europa moet dan ook worden tegengegaan. De arbeidsmarkt moet flexibel worden, vindt een meerderheid, de productiviteit moet worden verhoogd, de economische groei moet worden veiliggesteld. Let wel, zolang het maar niet ten koste gaat van het milieu en zolang de verzorgingstaat maar niet wordt afgebroken. En ten slotte: iedereen wil door en door individualistisch zijn, maar is tegelijk wanhopig op zoek naar een gemeenschap. En naar leiderschap, natuurlijk.

„De bevolking”, melden de samenstellers, „spreekt zich steeds sterker uit voor een samenleving waarin solidariteit, kwaliteit van bestaan en bescheidenheid centraal staan.” Op het eerste gezicht lijkt het alsof de bevolking daarmee een reusachtige open deur intrapt, want behalve de bezoekers van de Miljonairsfair zul je niet snel mensen vinden die in het openbaar opportunisme, een uitgehold bestaan en snoeverigheid voorstaan. Toch gaat er in die uitspraak een oprecht verlangen schuil. Nederlanders hebben het gevoel dat een elementair fatsoen ontbreekt, dat egoïsme wel degelijk de boventoon voert. En kennelijk ook dat men alleen staat in het verlangen naar cohesie en duurzaamheid. Ik wil wel, maar de anderen doen niet mee. Het zijn de anderen die alleen aan zichzelf denken.

Toch is het eigenaardig dat dit ongenoegen zo algemeen gedeeld wordt. Als een ruime meerderheid van de Nederlandse bevolking er zo over denkt, waarom valt men elkaar dan niet snikkend in de armen? Als zoveel mensen snakken naar maatschappelijke solidariteit, waarom voelt men zich dan kennelijk zo miskend in zijn verlangen naar een gemeenschap? Waarom noemt 90 procent van de deelnemers aan de enquête de samenleving brutaal, terwijl een bijna even groot percentage vindt dat het andersom zou moeten zijn, dat bescheidenheid de toon zou moeten aangeven? Wie en waar zijn dan die brutalen? Gaat het om een kleine minderheid die het voor de rest verpest? Of ligt het ingewikkelder en schieten we zelf keer op keer tekort, zijn we zo verontwaardigd over de brutale geldingsdrang van anderen dat we de balk in ons eigen oog pontificaal negeren? Het is tegenwoordig moeilijk uit te maken wat ergerlijker is: mensen die luid telefoneren in de trein of mensen die bellers in de trein onmiddellijk de les lezen.

Solidariteit. Probeer dat warme begrip in te vullen en het verdampt waar je bij staat. De meeste mensen die aan de enquête hebben meegedaan willen investeren in het onderwijs en de gezondheidszorg, omdat iedereen daar baat bij heeft. Verder is het hemd nader dan de rok: ouderen pleiten voor een betere ouderenzorg, lager opgeleiden willen behoud van sociale zekerheid en belastingverlaging, terwijl hoger opgeleiden daar veel minder om geven. Zij hopen meer te profiteren van Europa en verdergaande globalisering. En hoewel de meeste mensen vinden dat een goede, efficiënte zorg een hoge prioriteit heeft, vindt een ruime meerderheid dat wie aantoonbaar ongezond leeft, ook maar meer moet betalen. Waar de rokers onder ons – had u anders gedacht? – dan weer fel tegen gekant zijn.

In de uitslagen van de enquête heb ik twee echte verrassingen ontdekt. Ten eerste de algemene verwachting dat de hypotheekrenteaftrek in de nabije toekomst beperkt of afgeschaft zal worden, en het hoge percentage huizenbezitters dat zegt daarmee te kunnen leven. Dat duidt op een begin van werkelijke solidariteit. De tweede verrassing is echt opzienbarend: hogeropgeleiden (39%) maken zich veel meer zorgen over integratie dan lageropgeleiden (21%). Vier jaar na Fortuyn zijn de rollen omgedraaid. De Nederlanders die dagelijks met de praktijk van de multiculturele samenleving te maken hebben, maken zich er kennelijk veel minder zorgen over dan hun hoger opgeleide landgenoten die er vooral kennis van nemen via de ingezonden stukken op de opiniepagina’s en de ondeugdelijke emotiejournalistiek over ‘Bert en Marja’ uit de Amsterdamse Diamantbuurt.

Onze nationale gespletenheid vind je ook terug in de houding jegens de politiek. Slechts een te verwaarlozen twee procent van de deelnemers beweert dat hij zijn stem laat bepalen door de lijsttrekker van een partij. Echt, het gaat de meesten van ons om de inhoud. Als dat werkelijk zo is, dan gaapt er een ontzagwekkend diepe kloof tussen wat de media denken dat de burger wil en wat die echt wil. In de aanloop van de verkiezingen lijken zowel de politici als de afzonderlijke omroepen erop gebrand iedere schijn van inhoudelijkheid te vermijden. Het lijkt een samenzwering tussen de wezenloze oppervlakkigheid waartoe nu ook de publieke omroep zich heeft bekeerd en het risicomijdende campagnevoeren van de partijen. De verzonnen ‘titanenstrijd’ tussen Bos en Balkenende wordt opgeblazen, met Henkjan Smits als laatste scheidsrechter. In 2002 schaamde iedereen zich diep voor de publieke afgang van de politiek tijdens de Soundmixshow; ruim vier jaar later doen we er gewoon nog een schepje bovenop.

Tegelijkertijd geeft een torenhoog percentage van de deelnemers aan de enquête aan geen idee te hebben waar de afzonderlijke politieke partijen voor staan.

Ook hier bestaat dus een grote discrepantie tussen wat mensen zeggen te willen en wat er in werkelijkheid gebeurt. Wie heeft daar schuld aan? Zijn het de politieke partijen die de kiezer niet serieus nemen en denken hem met slogans en kinderachtig vertoon voor zich te kunnen winnen? Zijn het de media, die de Nederlandse maatschappij hardnekkig als een afspiegeling van zichzelf blijven zien, in plaats van andersom? Het lijkt erop: kijk alleen al naar de overstelpende aandacht die Hollandse populisten als Wilders en Pastors op televisie ten deelt valt, terwijl hun percentages in de peilingen stug marginaal blijven.

Maar net als je de beschuldigende vinger naar de media wil wijzen, vraag je je af of er wel massaal belangstelling zou bestaan voor politieke programma’s waar enkel over de inhoud wordt gesproken. Tegenlicht, met afstand het beste programma over de wereld van nu, mag blij zijn met tweehonderdduizend kijkers. We verlangen inhoudelijke standpunten van de politiek, maar zijn we ook bereid ons er daadwerkelijk in te verdiepen? Waarom wordt er dan publiekelijk zo weinig gesproken over grote kwesties, niet over Irak, niet over Uruzgan, niet over het milieu, niet over globalisering? Hoe kan het dat men geen idee heeft waar de politieke partijen voor staan? En dat terwijl de politieke partijen tegenwoordig over elkaar struikelen om zo dicht mogelijk bij de kiezer te zijn, en hun partijprogramma’s zo veel mogelijk te laten lijken op een reclamefolder van Mediamarkt.

Misschien is het juist die kruipende gemeenzaamheid van de politiek. Die, zo blijkt uit de enquête, werkt alleen maar averechts: een groot deel van de kiezers is nog geen maand voor de verkiezingen nog altijd zwevend, en het geringe vertrouwen in de politiek is alleen maar afgenomen. Tegelijkertijd laten we ons keer op keer verleiden tot politieke hype over het paspoort van Ayaan en de excuses van Aboutaleb en de gestolen tas van Margherita. Dit soort kwesties hapt lekker weg, maar je wordt er ook snel een beetje misselijk van. We willen inhoud, maar we zijn verslaafd aan oppervlakkigheid.

Alles wat abstract is, is dan meteen een stuk minder verteerbaar, omdat het niet persoonlijk is. Het milieu? Ach, het milieu – pas toen Al Gore langskwam en er een celebrity-item van gemaakt had, werden de media en politici wakker. In Denemarken, en in nog heel wat andere landen, maakt men zich volgens dit onderzoek aanmerkelijk meer zorgen over de druk op het milieu die economische groei met zich meebrengt, en tegelijk is men in de Scandinavische landen over het algemeen gelukkig met zijn land. Er moet een verband zijn. Het impliceert een intieme betrokkenheid met de omgeving die in Nederland grotendeels ontbreekt. We maken ons veel zorgen over Nederland – maar het kost ons moeite ervan te houden.

De kloof waarover de afgelopen jaren zoveel gesproken is, is dus ook een innerlijke kloof. Het zou heel wat loze discussie schelen als we dat eens zouden toegeven. We willen een hechte gemeenschap, maar ook eigen verantwoordelijkheid, we willen welvaartsgroei maar ook duurzaamheid, we bewonderen durf en lef, maar eisen ook bescheidenheid. De meesten van ons vinden globalisering een opwindend proces, maar collectief vrezen we de Poolse loodgieter. We willen, kortom, overal de positieve kanten van, maar niet de negatieve. En allemaal houden we van politiek, maar niet van politici.

Die paradoxale gevoelens zal je bij de burgers in de meeste West-Europese landen aantreffen, aangezien daar dezelfde maatschappijverdunnende krachten, globalisering en immigratie, werkzaam zijn; ook daar gaat de hang naar modernisering van de maatschappij om mee te kunnen komen in een wereldeconomie en onderdak te bieden aan nieuwkomers hand in hand met een romantisch verlangen naar maatschappelijke cohesie en solidariteit en een groeiend wantrouwen jegens de traditionele, tekortschietende instituten.

Maar in Nederland bestaat, zo laat de 21minuten-enquête zien, bij de burger een relatief grote kloof tussen het beeld van het gewenste Nederland en de samenleving zoals die ervaren wordt. (In Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië is het – gelukkig maar! – nog erger.) Dat moet te maken hebben met de nadruk die sinds de jaren zestig op zelfontplooiing is gelegd, het primaat van de individuele vrijheid.

Je kunt je leven zo veel mogelijk naar eigen inzicht inrichten, maar de maatschappij op een redelijke manier inrichten, dat wil kennelijk niet meer lukken. Een voorbeeld: iemand die homoseksueel is, heeft sinds het voltooien van de emancipatie net zo veel mogelijkheden om gelukkig te worden als wie dan ook. Maar hoeveel gelukkige homo’s er ook zijn, maatschappelijk groeit de angst dat de vrijheid van homoseksuelen in Nederland onder druk staat, dat die verworven persoonlijke vrijheid niet langer gedragen zal worden door de gemeenschap als geheel – dat er eigenlijk helemaal geen sprake meer is van een gemeenschap. Of die angst terecht is, valt te bezien, maar hij leeft wel.

We zijn ons dus terdege bewust van de noodzaak tot verandering, maar de toekomst is ongewis. Er moet weer serieus over vraagstukken gesproken worden, zeggen de deelnemers aan de enquête. Bedrijven moeten een meer maatschappelijke rol gaan spelen, de overheid moet opener en effectiever optreden. Voor dat alles teken ook ik – maar het zal de kloof in de burger zelf niet dichten. Want dit soort nieuwe oplossingen zijn toch vooral weer eisen aan de samenleving, eisen waarin naast onvrede ook angst en onzekerheid doorklinken. Voorwaarde voor blijvende hervormingen is het besef dat we leven in een land dat we zelf gemaakt hebben, dat we de overheid, de politiek, de malaise, de onvrede aan onszelf te wijten hebben. Er wordt ons niets aangedaan, we doen het onszelf aan. Dat is een lastig besef, maar noodzakelijk. Voor we Nederland kunnen veranderen, zullen we er eerst wat meer van moeten houden.