‘Revolutie ? Over kwartier gaan we’

Vandaag precies vijftig jaar geleden sloegen de Sovjets de Hongaarse opstand neer. Net als de Spaanse burgeroorlog trok ‘1956’ aan schrijvers. Cees Nooteboom en Henk Hofland roken in Boedapest ‘de geur van kruit en dood’.

Violette Cornelius en Ata Kando: beeld uit de Hongaars-Oostenrijkse grensstreek, gemaakt tussen 10 en 20 november 1956 Kando, Ata

Op 2 november 1956 ontmoeten schrijver Cees Nooteboom en journalist H.J.A. Hofland elkaar in het Hongaars-Oostenrijkse grensgebied. Hofland, uitgezonden door het Algemeen Handelsblad, reist in het gezelschap van zijn echtgenote per Volkswagen door Hongarije waar de opstand tegen de Sovjets woedt.

Nooteboom verlaat het land juist, en is op de terugweg naar Nederland. „Cees, je gaat de verkeerde kant op”, zegt Hofland. „Je moet wegwezen, het is daar hartstikke gevaarlijk”, antwoordt Nooteboom.

Een paar dagen later schrijft Nooteboom in Het Parool over zijn twee dagen in Hongarije waar toen nog de euforie heerste over een mogelijke overwinning op de Russen. Vandaag precies vijftig jaar geleden, op 4 november 1956, kwam er een einde aan de Hongaarse droom. De opstand had de wereld geschokt, maar niet in beweging gebracht. Hulp van buiten bleef uit. In de dagen die volgden kwamen 2.600 Hongaren om het leven. 200.000 sloegen op de vlucht, naar het Westen.

‘56’ trok, net als de Spaanse Burgeroorlog, als een magneet jong talent in de literatuur, journalistiek en fotografie. Inmiddels beroemd geworden fotografen als Erich Lessing en Mario De Biasi waagden hun leven in de Boedapestse stadsguerrilla. Uit Nederland reisden fotografen Violette Cornelius en Ata Kando naar de Hongaarse grens waar ze een fotoreportage maakten over de ontberingen die de vluchtelingen moesten doorstaan. Namens de reguliere Nederlandse media werd een zestal verslaggevers gestuurd, waaronder Hofland en Nooteboom.

Beiden waren deze week de eregasten tijdens een herdenkingsavond in Boedapest. Vooral Nooteboom, wiens werk in het Hongaars is vertaald, blijkt een publiekstrekker. In een volle zaal excuseert Nooteboom zich allereerst voor ‘this poor article’, waarna hij zijn oorspronkelijke ’56-verslag voorleest dat hij destijds voor Het Parool maakte. „Op donderdag 1 november (1956, red.) reed ik Hongarije binnen. (…) Een ademend, opgelucht land. Maar toch geen vrij land. Want zolang de vrijheid gedeeld wordt met angst, bestaat hij niet. De onzichtbare aanwezigheid van de Russen en hun dreiging stond als een onheil tussen de mensen.”

Nooteboom, toen 23 jaar, had net gedebuteerd: „Nederlandse fotografen belden me op en zeiden: ‘Wil je een revolutie meemaken? Over een kwartier vertrekken we’.” ‘This poor article’ is een eerste proeve van Nootebooms literaire verslaggeving, het genre waarmee hij in de jaren zeventig in tijdschrift Avenue bekendheid verwierf. De auteur roept sterke beelden op en maakt proza van de gespreksflarden die hij op straat hoort. Waar nodig wordt de tijd verdicht. „Vier dagen, die nodig zijn geweest (…) om een land te wurgen, een stad te verbranden, om de levenden te verschrikken met angst en verdriet.” Nooteboom was twee etmalen in Hongarije en schreef die regels bij terugkeer in Amsterdam, op afstand van de dramatische gebeurtenissen. „Stof van pijn”, noteerde Nooteboom toen. „Geur van kruit, geur van doden en branden.”

Henk Hofland bleef wel in Boedapest en zag uit het raam van zijn hotelkamer hoe in de nacht van drie op vier november een colonne van Sovjettanks naderde. „Er klonk machinegeweervuur. De voorste tank draaide zijn koepel en schoot terug.” In de lobby van zijn hotel luistert Hofland naar de radio. „‘Help ons! Redt Hongarije!’ riep de stem uit de radio. We weten hoe het is afgelopen.”

Over die afloop heeft Nooteboom, ook na een halve eeuw, nog altijd spijt, zegt de schrijver na zijn lezing: „Ik schaamde me omdat je toen al wist dat enige hulp van buiten niet zou komen.” In zijn reisreportage uit 1956 citeert hij laatste boodschappen van de Hongaarse media: „Help ons niet met woorden maar met daden.” Nooteboom moest terug, omdat de fotografen hun filmrolletjes moesten inleveren.

In die spannende dagen ontpopte een andere Nederlander zich, onbedoeld, als een literair talent: de toenmalige Nederlandse ambassadeur in Boedapest Frederik Willem Craandijk. In staccatostijl houdt Craandijk een rapport van de straatgevechten bij dat hij naar zijn ministerie van Buitenlandse zaken in Den Haag doorseint. Hij maakt zich zorgen over de geleverde strijd rond de Franse ambassade, waar Hofland en zijn vrouw en drie andere journalisten dan nog verblijven. Craandijk, 7 november 1956: „De levensmiddelen van de vijf Nederlanders raken uitgeput. (…) De rantsoenen op het Franse gezantschap zijn gereduceerd tot twee koppen soep en een stuk brood per dag.” Een paar dagen later: „Zoëven werd hier in de buurt een oude man, die met een boodschappennet brood had gehaald, vanaf een Russische auto doodgeschoten.”

Pas op 12 november kan het echtpaar-Hofland veilig de grens oversteken, naar Oostenrijk. In het opvangkamp Treiskirchen ziet Hofland, zoals hij later zou schrijven, voor het eerst „het gezicht van de vluchteling. De blik van mensen die in het niets zijn gevallen. (…) Gedoemd tot afwachten.”

‘Ata Kando Hungarian Refugees, 1956’; fotografie: Violette Cornelius and Ata Kando. Nieuwe tekst Henk Hofland. Uitgeverij: Veenman Publishers. 72 pag. Prijs €19,95