Pagina 1 van ‘Ooby Dooby’

De Achterpagina heeft vijf oud-auteurs van jongerenmagazine Spunk gevraagd om de eerste pagina van een nieuwe roman te schrijven. Vandaag, in deel 1, Oscar Kocken. Illustratrice ATTI ontwierp het omslag.

Het was de vertrouwde route van Noord naar Zuid die ik reed voordat ik weer thuis zou komen en ging ontdekken dat mijn vriendin verdwenen was. De deur onhandig verzegeld, slap geel politielint, een onleesbare zwangerschapstest in de rieten prullenmand, stapels post op de mat voor de deur. Het bord nasi in de koelkast voorzien van een groenige donsdeken en de kakkerlakken die wegschoten bij het opschudden van mijn kussen als laatste bewijs van leven in mijn huis.

Ik floot mee met de radio, trommelde het ritme van de muziek op mijn stuur. Roy Orbison. Ooby dooby. Reed over de smalle weg langs de slingerende rivieren, spitse rotsen en spelonken waar de vogels hun nesten bouwden. „Ooby dooby”, zong ik, „Ooby dooby.”

Ik had een sportwagen gekocht van het geld dat ik onderweg verdiende. Een hagelwitte Aston Martin AMV8. In het dashboardkastje lag nog een halve rol Mentos die de vorige eigenaar in alle haast moest zijn vergeten. Lekker. Ze hield van frisse adem. Mijn vriendin. Ze zou opkijken als ik straks onze oprijlaan kwam opgerold, de garagedeur liet openschuiven, de deur achter me dichtsloeg, hem met twee kleine bliepjes op slot deed, de lange bruine slierten van het vliegengordijn opzij schoof, de keuken binnenstapte en riep: „Liefste?”

En dat zij dan niet verdwenen was.

Met Suiker waren heel heldere afspraken gemaakt: zij kon beschikken over de kofferbak, ik over haar. Dat had zich aanvankelijk vertaald in het uitvoeren van kleine rotklusjes, velgen schoonmaken, benzine afrekenen, de weg vragen als we weer eens onze zinnen hadden gezet op wereldvreemden in een onbekend dorp. Na haar zo uitvoerig getest te hebben, werd het al gauw haar taak om mijn verhalen als eerste aan te horen, alvorens ik ze toepaste op onze klanten. Haar specialiteit: desinteresse.

Toen ik bij mijn eerste opdrachtgever aanbelde, droeg ik nog geen grijze krijtstreep, mijn attachékoffertje was versleten en ik moet in het algemeen een beroerde indruk hebben achtergelaten. Mijn zinnen klopten niet, hielden geen steek. Ik rekende haar het een en ander voor, maakte grove fouten, maar met de scherpe blik die door de zonnebril van Suiker heen scheen behaalden wij alsnog succes. De allereerste aanschaf: Greatest Hits van Roy Orbison. Luidkeels zongen we onze favoriet Candy man: „Come on sugar, let me take you by the hand, go for me, let me be, all your own candy, your candy, candy man.”

Dat ik haar niet mocht vragen wat zij in mijn kofferbak verborgen hield, sprak voor zich. Kwestie van vertrouwen. Als ik thuiskwam, zei ze, dan mocht ik kijken. Of ik zou het wel ruiken, lachte ze. Haar ogen betoverden me, precies zoals ze dat met de klanten deed. Hoe vaker ze me aankeek zonder zonnebril, hoe beter het me leek snel terug te keren naar mijn geliefde. Zo reed ik die dag mijn vertrouwde route van Noord naar Zuid, op weg naar huis. Met op de radio mijn lijflied: Well you wiggle and you shake like a big rattle snake, you do the ooby dooby till you think your heart will break, ooby dooby, ooby dooby, ooby dooby, ooby dooby ooby dooby doo wah doo wah doo wah.