‘Orkest dreigt kerstengeltje te worden’

Deze week staat dirigent Sir Simon Rattle voor het eerst sinds vijf jaar weer voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest: „Er is weinig veranderd, alleen was er toen nog een hertenparkje achter de Doelen.”

Dirigent Sir Simon Rattle repeteert met het Rotterdams Philharmonisch Orkest (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) Sir Simon Rattle (1955) ,dirigent,conductor. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 1 november 2006 Mentzel, Vincent

„Wat een bouwput”, zucht Simon Rattle met een blik naar de Rotterdamse skyline en de opengebroken straat, „er is weinig veranderd sinds ik hier in 1978 debuteerde. Alleen was er toen een hertenparkje achter De Doelen. Met één bronstig hert en een kudde hele vermoeide hindes met hoofdpijn. Maar in ernst: dit orkest verdient een betere zaal. De Doelen is enorm, met weinig punten waar de klank wordt gereflecteerd – dat is niet goed voor een orkest.”

Sir Simon Rattle, sinds 2002 chef-dirigent van de Berliner Philharmoniker, is lang niet in Rotterdam geweest. In 2001 voor het laatst, toen hij de Rotterdammers leidde in Wagners’ Tristan und Isolde. „34 repetities hebben we daaraan gewijd”, zegt hij. „Fantastisch. Sowieso behoren de opera’s die ik hier heb gedaan tot de hoogtepunten van mijn werkzame leven. Drie maanden om je met één werk bezig te houden, dat is in mijn huidige leven niet meer voorstelbaar. Berlijn eist al mijn aandacht. En mijn jonge gezin de rest.”

Nu zijn ‘wittebroodstijd’ na vier jaar voorbij is, oogst de in Liverpool geboren Rattle in Berlijn niet meer louter lovende kritieken. Zijn aanpak zou de diep-donkere klank van het orkest om zeep helpen. „Het orkest zei: laat Simon met rust, het is óns werk hem het leven zuur te maken”, reageert Rattle met scheve mond. „Dat deed me goed. Mijn relatie met de musici is zeer goed. Natuurlijk is het een temperamentvol orkest, er zullen altijd ups en downs zijn. Maar dat is ook hun kracht.”

Kritiek of niet, in een tijd waarin chef-dirigentschappen steeds minder om het lijf hebben, is Rattle een dirigent van het oude stempel. Waar Gergjev in Rotterdam dit seizoen alleen zijn festival en drie programma’s invult en Jansons zijn Amsterdamse aanwezigheid beperkt tot twaalf weken, uit vrees voor Mariss-moeheid bij de musici, is Rattle veel in Berlijn. Hij woont er, is er, tussen operagastdirecties in Aix en Provence of Salzburg, een half jaar per seizoen present voor zo’n achttien programma’s. Rattle: „Jansons is een bouwer. Als hij ergens is, werkt hij zeer hard. Van Gergjev kan een orkest alleen beter worden, omdat hij met zijn improvisatorische werkwijze oplettendheid eist. Maar zelf geloof ik in het nut van er veel en langdurig zijn. Het wordt pas goed als het lang duurt. De Berliner are quite a handfull. Ik wil alles met ze uitzoeken, uitdiepen. Dat eist tijd. De Vierde symfonie van Schumann onder Furtwängler kon alleen maar zo bijzonder worden, omdat er dertig jaar noeste samenwerking aan ten grondslag lag.”

Dat de klank van de Berliner zou veranderen, noemt Rattle onzin. ,,Het is een illusie dat orkesten in klank op elkaar lijken of beginnen te lijken. Amsterdam en Rotterdam? Eén uur per trein, een wereld van verschil. Boston en Cleveland? Er zijn geen overeenkomsten. Zelfs al zoú ik de diepe, donkere Berlijnse klank willen veranderen – wat heel dom zou zijn – dan nog zou het niet lukken. Klanktraditie is zeer bestendig. Als je Beethoven speelt met het Philharmonia Orchestra, hoor je Klemperer, al zitten er nog maar vijf musici die hem hebben meegemaakt.”

Rattle is in Berlijn de evangelist van educatieprojecten, om nieuw publiek aan te boren: „Mensen komen niet meer ‘gewoon omdat het moet’. Hier in Rotterdam speelt dat ook. Het orkest probeert dat op te lossen met een conservatieve programmering, maar dat is gevaarlijk. Daarmee behoudt je slechts een trouw, maar uitstervend publiek. Saul Bellow signaleerde het al: in veel Amerikaanse steden zijn de producten van beschaving, zoals orkesten, lege hulzen geworden. Concertbezoek wordt gemarginaliseerd tot een society-bezigheid, vergelijkbaar met de botensport. In Berlijn was het orkest het zat als een diva aan de zijlijn te staan. Het is mooi om als orkest als een kroonjuweel van de stad te worden gezien. Maar als die reputatie niet berust op werkelijke waardering, wordt die status al snel die van een kartonnen engeltje in de kerstboom.”

Zal Rattle, na die ene, mislukte samenwerking in 1986, ooit nog terugkeren bij het Concertgebouworkest? „Ik denk het wel. Maar die ervaring was wel heel érg. Als het niet lukt contact te krijgen met musici, voelt dat voor een dirigent alsof zijn armen eraf worden gehakt. Dat ondermijnt je zelfvertrouwen enorm. Niet omdat de musici rotzakken zijn, maar omdat je je zorgen gaat maken over je eigen vaardigheden. Ach, ik doe nu sowieso nauwelijks gastdirecties. En ik heb ook geen haast. Ik ben 51. Naar dirigentenmaatstaf gemeten, ben ik nog een baby.”

Rot. Phil. Orkest o.l.v. Simon Rattle, vanavond nog in De Doelen, R’dam. Inl.: (010) 2171717