Lichamelijk leed in de abdij

In Leuven-Heverlee en Antwerpen wordt gespeeld met fysieke extremiteiten.

Er wonen nog zes monniken in de vervallen abdij van ’t Park te Heverlee, bij Leuven – bejaarde norbertijnen. Op Allerzielen, wanneer de katholieke kerk de doden herdenkt, zijn er wel wat bezoekers op de begraafplaats, en ook zie je een enkeling bij de tentoonstelling die deel uitmaakt van de door heel de universiteitsstad Leuven verspreide kunstmanifestatie Mens, verhaal-van-een-wonde. De bisschoppelijke initiatiefnemers wilden in hun dialoog met de moderne kunst niet exclusief het lijden benadrukken, dus kozen ze voor de metafoor van de wond, het begin van heling. En voor de opvatting dat ‘elke mens gebroken is’.

Ook in Antwerpen, in de door Sofie Van Loo voor het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten samengestelde tentoonstelling Gorge(l) wordt symbolisch met woorden gespeeld. Ze dacht aan het Franse gorge (keel) en het Engelse gorge (kloof) en gorgeous (aanbiddelijk). En dus aan het gorgelen in onze taal. In de 19de-eeuwse museumsuikertaart van Antwerpen gaat het om ‘beklemming en verademing in kunst’.

De uitgangspunten van Van Loo lijken enigszins feministisch. Er is ruime aandacht voor lichamelijke performances en de neerslag daarvan. Vrouwen zijn niet, zoals in de bovenzalen vol Rubens, Van Dyck en 19de-eeuwse salonkunst, modellen en muzen, maar tegelijkertijd subject en object van extreme gevoelens.

Verrassend is zowel in de abdij als in het academische museum de keuze voor zulke extreme lichamelijke gewaarwordingen. Pijn is zo’n beetje de smaak van het jaar in de Europese beeldende kunst. De modekleuren: bloedrood, lijkgrauw en dooraderd blauw.

Mijn favoriet is de Gentse beenhouwersdochter Berlinde De Bruyckere, met haar op vleesklompen lijkende beelden. Een torso zonder hoofd heeft alleen een slurfje, waar je ook een doorkliefde penis in zou kunnen zien. Een andere figuur gooit haar enorme haardos naar voren, om haar vrouwelijkheid te bewijzen of juist te verwerpen.