Leugenachtig

Pieter Hendrikse is lid van de Raad van bestuur van OMO, wat staat voor Ons Middelbaar Onderwijs, een conglomeraat van scholen dat zowat het hele voortgezet katholiek onderwijs in Brabant onder zijn hoede heeft. In zijn ingezonden brief in deze bijlage van 22 oktober j.l. bestrijdt hij mijn opvatting dat de politiek jaren lang erop uit zou zijn geweest de mavo de nek om te draaien. Als Brabantse onderwijsbestuurder moet hij beter weten. Zo berichtte deze krant op 9 oktober 2002 onder de kop Provincie Brabant wil af van mavo: ‘De provincie Brabant wil af van de mavo en de zogeheten theoretische leerweg in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Dat staat in een advies dat de provincie morgen aanbiedt aan minister Van der Hoeven (Onderwijs, CDA). Volgens gedeputeerde R. Augusteijn (CDA) hebben mavo en theoretische leerweg een ‘ongunstig effect’ op de rest van het voorbereidend beroepsonderwijs. Augusteijn: “De goede leerlingen worden weggezogen en zowel het niveau als het imago van de andere onderwijsvormen heeft hieronder te lijden.” Daarom moet het theoretische onderwijs niet langer als aparte onderwijsvorm bestaan, maar in de andere leerwegen worden geïntegreerd. Deze mavo-scholen zijn volgens Augusteijn populair bij ouders, omdat deze scholen ‘aanleunen’ tegen havo- en vwo-scholen. “Maar daardoor is de rest van het vmbo vooral bezig de zwakste leerlingen op te vangen.”’

Tot zo ver het bericht. De teneur is duidelijk: de politiek heeft de mavo samen willen voegen met het vbo, dat willen de ouders blijkbaar niet, en daarom dienen ze te worden gedwongen.

De onderwijswethouder van Tilburg, de gemeente waar het hoofdkantoor van OMO is gevestigd, bepleit in een interview met deze krant op 29 mei 2004 van hetzelfde laken een pak: “Als we een einde maken aan de theoretische leerweg, zijn vmbo en havo/vwo veel duidelijker gescheiden schoolsoorten.” Als de interviewer vervolgens stelt dat de politiek dat ook wilde, is de reactie van de wethouder: “Breek me de bek niet open. Dat wás de bedoeling, ja. Maar door politieke spelletjes moest en zou er een soort mavo in stand blijven. Ouders zouden dat zo graag willen.” Als de interviewer opmerkt: Maar afschaffen van de theoretische leerweg kunt u niet. Daar gaat het rijk over, niet de wethouder, reageert deze met: “Dat is waar. Gelukkig heb ik wel andere middelen tot mijn beschikking. We zijn hier druk bezig de theoretische leerweg te reorganiseren.”

Kortom, hoe dan ook, die mavo zullen we de nek omdraaien.

Met dit streven liepen de plaatselijke en regionale politici overigens, zij het met enige vertraging, in de pas met wat we eerder zagen op landelijk niveau waar de Kamerleden Dijksma (PvdA) op 6 april 2000 en Van Bommel (SP) op 18 oktober 2000 vragen stelden aan staatssecretaris Adelmund, die getuigden van een zelfde opvatting. Het beeld is duidelijk. Toen bleek dat ouders de samenvoeging van mavo met vbo niet wensten was dat een reden voor politici om te zoeken naar wegen om ze te dwingen. Alsof politici de eigenaren zijn van het onderwijs en beter dan de ouders weten wat goed is voor hun kinderen. Het is deze schandalige houding van politici waar ik me al jaar en dag tegen keer. En tegen bestuurders van grote machtige onderwijsconglomeraten als OMO die met hun gelobby een steeds grotere invloed hebben op de onderwijspolitiek.

Deze twee handen op één buik vormen de verklaring voor Pieter Hendrikse zijn leugenachtige bewering dat het niet waar zou zijn dat de politiek er jarenlang naar heeft gestreefd de mavo de nek om te draaien.

lgm.prick@worldonline.nl