Inhoud

Aandoenlijk zijn ze, de internetfilmpjes waarin VVD-lijsttrekker Mark Rutte ons ’s ochtends vroeg vertelt hoe de rest van zijn dag eruit gaat zien. Zijn haar is bij wijze van spreken nog nat van de douche, de beschuitkruimels kleven nog aan zijn lippen, geen bazige voorlichter in zicht. De beeldkwaliteit is die van zo’n schimmige webcam die je eerder aan knusse amateurseks doet denken dan aan een verkiezingsspotje. Mark gaat voor authenticiteit. Geen BouwRai, geen gestileerde logo’s, geen slogans, geen Kay van de Linde. Ook zijn woorden houdt Mark zo onopgesmukt mogelijk. Als de peilingen slecht zijn, dan zegt Mark dat de peilingen slecht zijn. En bijna iedere dag beklaagt hij zich wel over het gebrek aan inhoud in de aanloop naar de verkiezingen. Waar zijn de standpunten?

Goed punt, Mark. Het is alleen jammer dat de lijsttrekker aan het eind van zijn videoboodschap zijn eigen glazen meestal meteen weer ingooit, wanneer hij na zijn felle klacht over gebrek aan inhoud bijvoorbeeld vrolijk begint te vertellen hoe hij straks met Andries Knevel op pad gaat, terug naar de Calvé-fabriek in Delft – ik geloof dat ik het goed verstaan heb – waar hij aan het begin van zijn carrière zo prettig gewerkt heeft met heel fijne collega’s.

De Calvé-fabriek in Delft. What were they thinking?

Je ziet het dilemma. Wanneer politici authenticiteit ontdekken, wordt het al snel een handigheidje om stemmen te trekken. Ook André Rouvoet van de ChristenUnie en een partijgenoot beklagen zich in de Volkskrant uitgebreid over de ondraaglijke lichtheid van het debat, politieke strijd als een vorm van massa-entertainment à la Idols, met Henk Jan Smits als ultieme scheidsrechter. „Het is de behoefte aan versimpeling, controverse, en het schema van winnaar versus verliezer. Partijen gaan zich naar dat door de media gewenste beeld gedragen, en zo ontstaat een nieuwe vorm van polarisatie.” Die polarisatie gaat niet meer over standpunten, zoals vroeger, maar alleen nog maar over wie er sympathieker overkomt, Wouter of Jan Peter.

Goed gezegd, André. Alleen jammer dat ik de lijsttrekker van de ChristenUnie onlangs met reli-hunk Arie Boomsma in een windmachine zag staan. Allemaal om de christelijke politiek wat meer mediadynamiek te geven, ik begrijp het, maar standpunten zag ik even niet. En dat de kleinere partijen in de media niet aan bod zouden komen, is onzin. Je kunt de televisie niet aanzetten of je ziet Geert, Marco, Jan of André. En Femke – er zijn mannen die hun eigen vrouw minder vaak zien.

Inhoudelijke gesprekken zijn het nooit. Altijd gaat het om programma’s waarin ons de mens achter de politicus wordt getoond; en altijd blijkt het om heel erg bleke mensjes te gaan. Agnes Kant met haar puberende dochter op de bank bij Catherine Keyl – geen wonder dat steeds meer mensen beginnen te verlangen naar de politicus achter de mens.

De verdwaasde gretigheid waarmee de actualiteitenrubrieken zich massaal op het trieste fenomeen Gonny van Oudenallen storten, spreekt boekdelen – niet over Gonny, die trouwens nog lang niet zoveel gestunteld heeft als onze eigen minister-president, maar over de media zelf. Je neus ophalen over zoveel duurbetaalde dommigheid in de Kamer en intussen niet doorhebben dat je zelf allang niet meer hoger reikt, dat je zelf bij uitstek een cultuur schept waarin dit soort fenomenen kunnen gedijen. Het probleem met de Nederlandse televisie is niet dat soapsterren ondervraagd worden alsof het Nobelprijswinnaars zijn, het probleem is dat alle serieuze mensen tegenwoordig worden ondervraagd alsof ze soapsterren zijn. (In de Nieuwe Revue van deze week zegt interviewster Tatum Dagelet tegen Mark Rutte dat hij niet zo naar haar tieten moet kijken; dat deed Mark helemaal niet, geeft ze achteraf toe, ze zei het enkel om het gesprek wat pit te geven – maar Wouter vindt ze uiteindelijk toch spannender.)

„Dit land snakt naar politici met een visie”, kopte nrc.next gisteren, toen de uitslagen van de 21 minuten-enquête bekend werden gemaakt. We mochten het willen. Het was Fortuyn die vier jaar geleden in één klap de grote kwesties terugbracht naar de politiek. Het waren de kwesties die zowel links als rechts te lang over het hoofd had gezien: de maatschappelijke effecten van globalisering en immigratie. Europa werd weer ingeruild voor Nederland, het afgedwongen multiculturalisme werd vervangen door een behoefte aan nationale identiteit, en het geloof was plotseling terug van bijna helemaal weggeweest. Links stond met zijn mond vol tanden, vooral toen er doden begonnen te vallen. Rechts duldde, in navolging van de Amerikaanse neocons, geen tegenspraak en nuance meer, men wist alle antwoorden al – de geschiedenis had hun immers gelijk gegeven?

Nu, na twee moorden en drie kabinetten-Balkenende, blijken die vraagstukken niet opgelost. Het normen- en waardendebat is vastgelopen in zelfgenoegzaamheid, omdat aantoonbaar meer mensen weer licht op hun fiets hebben. Het integratiedebat is vastgelopen in een provinciale Kulturkampf over de vraag of moslims handen mogen gaan afhakken en bier verbieden zodra ze in de meerderheid zijn. Over Europa wordt alleen nog maar verongelijkt in achterkamertjes gesproken. Het debacle in Irak is niet geëvalueerd. Integendeel, minister Bot werd de mond gesnoerd toen hij de fouten van het kabinet dreigde toe te geven. De domste pleitbezorger van deze verlichtingsmissie, Arend-Jan Boekestijn, een man die jarenlang in een regeringscommissie en aan iedere televisieborreltafel zijn simplistische inzichten heeft mogen verkondigen, opteert nu voor zowel een Kamerlidschap als een ministerspost.

Zo vreemd is het dus niet dat de grote partijen het tijdens hun campagne nergens over willen hebben. De regeringspartijen hebben de afgelopen periode op alle werkelijk grote vragen onvoldoende antwoord gegeven, en de PvdA vond het helemaal niet nodig om naar antwoorden te zoeken – de afkeer van het kabinetsbeleid zou zijn werk wel doen. Een visie! De werkelijk grote vragen, terug sinds 2001, zijn gewoon te groot voor de Nederlandse politiek gebleken. Daarom gaat het nu vooral over hypotheekrenteaftrek en gratis kinderopvang, thema’s die, zo blijkt, de meeste Nederlanders volkomen koud laten. Zelfs in hun opportunisme schieten Nederlandse politici nog mis. De inhoud kunnen ze beter aan anderen overlaten.