Imam: ‘Ik zal voortaan geen namen noemen’

Twee maanden voor de moord op Theo van Gogh smeekte de Haagse imam Fawaz Jneid Allah om de cineast te straffen voor diens uitlatingen over de islam. Van zo’n smeekbede gaat volgens de imam geen enkel gevaar uit.

Fawaz Jneid Foto Bas Czerwinski 15-09-2005, DEN HAAG. IMAM FAWAZ FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinski, Bas

De afgelopen dagen staat de telefoon wederom roodgloeiend in de As-Soennah moskee in Den Haag. Dat is een slecht teken. Sjeik Fawaz Jneid (1964) van de orthodoxe moskee is dit keer in opspraak geraakt met een preek die hij hield twee maanden voor de moord op cineast Theo van Gogh op 2 november 2004. In de smeekbede aan het eind van het vrijdaggebed wenste de imam Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali ongeneeslijke ziektes toe. Hij was woedend over hun film Submission.

„Van Gogh en Hirsi Ali hebben zich vergrepen aan de islam, Allah en zijn boodschapper”, vertelt de imam op zijn werkkamer in de moskee. Hij heeft, zegt hij, in de smeekbede God verzocht een eind te maken aan de vuilspuiterij en beledigingen. Hij is verbaasd dat minister Verdonk (Vreemdelingenzaken, VVD) het Openbaar Ministerie op hem zette. Ze wil hem het land uitzetten, zei ze. De Kamerfracties van VVD en CDA eisten een preekverbod voor de imam. De imam haalt zijn Nederlands paspoort tevoorschijn dat door de burgemeester van Leidschendam is verstrekt. „Sinds 1996 ben ik een Nederlander” zegt hij. „Een preekverbod in Nederland! Dat zijn Arabische toestanden in Nederland.” Zo kort voor de verkiezingen willen politici scoren ten koste van hem, meent de imam. De bewuste preek is jaren geleden met de Haagse burgemeester besproken en afgehandeld, zegt hij. Gisteren liet Verdonk weten dat Fawaz inderdaad niet kan worden uitgezet omdat hij Nederlander is.

Van zo’n smeekbede gaat volgens Fawaz geen enkel gevaar uit. Geen jongere die daarin een vrijbrief ziet om de daad bij het woord te voegen, meent Fawaz. „Elke moslim weet dat de smeekbede is gericht tot God. Moslims begrijpen de Arabische retoriek om de smeekbede niet letterlijk op te vatten. Niemand voelt zich als individu aangesproken.” Fawaz heeft wel geleerd van deze „hetze”. „Ik zal voortaan in mijn smeekbedes geen namen noemen”, zegt hij lachend.

Soumaya S., een van de verdachten in het terreurproces dat momenteel gaande is, verklaarde onlangs in de zittingszaal dat Fawaz intern jongeren lekker maakt voor de jihad, terwijl hij zich naar buiten toe gematigd opstelt. Ze beweerde dat Fawaz haar huwelijk heeft gesloten met Noureddine El F., een hoofdverdachte in het nieuwe proces en veroordeeld lid van de terroristische Hofstadgroep. „Soumaya liegt”, reageert Fawaz. Volgens hem neemt Soumaya wraak op hem omdat de imam tegen de inlichtingendienst had gezegd dat hij Soumaya nog had gewaarschuwd voor de radicale leden van de Hofstadgroep. Fawaz ontkent met klem dat hij het huwelijk heeft gesloten. „Ze had de echtscheiding van haar eerste man nog niet voltooid in Marokko. Zo’n tweede huwelijk is dan niet geldig, zondig.” Bij elk huwelijk dat hij afsluit verschaft hij naar eigen zeggen een akte. „Laat Soumaya met de akte komen.”

Fawaz is verbolgen over de verwijten van zijn anonieme critici in de Volkskrant. Fawaz zou Samir A. en twee jongens uit Eindhoven zijn zegen hebben gegeven voordat ze op jihad gingen naar Tsjetsjenië en Kashmir. De krant citeerde uit onder andere een brief van Noureddine El F. gericht aan de imam. El F. klaagde in zijn brief over de huichelarij van Fawaz die in de ogen van El F. pas een echte extremist zou zijn. Fawaz loopt naar een stalen kast. Hij komt terug met een brief. „Dit is de tweede brief van Noureddine El F. uit de gevangenis”, zegt hij. Bovenaan de brief staat ‘excuses’. Noureddine El F. biedt onomwonden zijn verontschuldigingen aan „voor elk woord” dat hij in zijn eerdere brief heeft geschreven. „Ik baseerde mij op verkeerde informatie.”

De imam laat een tweede document halen. Het is de originele trouwakte van het ‘minderjarig’ meisje dat door Fawaz zou zijn uitgehuwelijkt. Het blijkt om een Irakese te gaan die in 1999 in het huwelijk trad met een Libanees. Ze was op dat moment negentien jaar. „Ik doe een huwelijkse plechtigheid met de toestemming van de vader. Het is zijn verantwoordelijkheid als hij toestaat dat zijn dochter van zestien trouwt, ik ben slechts een ceremoniemeester.’’

Praten over Fawaz boezemt zijn critici angst in. De meesten weigeren te praten, en als ze al praten, dan anoniem. Een bron uit de omgeving van Fawaz vertelde in eerste instantie uitvoerig over de ‘radicaliseringactiviteiten’ van de imam, maar trok het interview later weer terug. „Er gaan geruchten dat men wraak gaat nemen op degenen die de imam in diskrediet brengen.” Fawaz kijkt verbaasd als deze angst hem wordt voorgelegd. „Ik smeek ze: ontmasker me en niemand die in je buurt komt.”

Wat vindt de imam werkelijk van de gewapende strijd? Hij raadt het af dat moslims elders vechten. Jihad mag alleen, zegt Fawaz, ter verdediging van een vaderland. De Afghanen strijden terecht tegen Nederlandse militairen aldaar? „De Afghanen hebben de plicht hun land te verdedigen, tegen iedere bezetter, of dat nou Amerikanen zijn of Britten.’’ Fawaz stopt, denkt na en lacht. „Nou krijg ik weer problemen als ik dat zo zeg, ja ook tegen de Nederlanders.”