God hield niet van geraniums

Steden moeten veel meer doen om hun bomen te behouden. Ze maken mensen gelukkig én ze vormen een natuurlijk roetfilter voor de zorgwekkende luchtvervuiling.

In de herfst verlang ik altijd terug naar mijn jeugd in Overschie. Er stonden enorme platanen voor onze deur die in deze tijd van het jaar hun bladeren lieten vallen. Met die afgevallen bladeren veegden wij met bezems ingewikkelde patronen die een soort doolhoven werden. Het was als een straatritueel. Iedereen liet zo’n doolhof met rust – totdat de wind er onvermijdelijk een einde aan maakte.

Nu woon ik in de wijk Middelland, aangelegd rond 1910, met een flinke portie openbaar groen. Hartje Rotterdam, maar zodra ik mijn voordeur opendoe zie ik jonge eiken staan. Veelbelovend, zeker nu, in herfsttooi, hun bladeren brandend rood. Het spectaculairst in deze wijk is de Heemraadssingel. Hier is met een groots gebaar een weelderige singel aangelegd, omringd door meer dan 35 soorten bomen: cypressen, treurwilgen, beuken, kastanjes, magnolia’s en geurige linden. Al die bomen zijn nu volwassen en op het toppunt van hun schoonheid. Hier worden mensen gelukkig van. En ze vormen ook nog eens een natuurlijk roetfilter voor de zorgwekkende luchtvervuiling waar onze steden mee kampen.

Waarom voelen mensen zich eigenlijk prettig als er bomen zijn? In een omgeving die met liefde en zorg is vormgegeven? Uit onderzoeken blijkt dat er minder agressief gedrag ontstaat zodra er sprake is van groen; een boom, een grasvlakte of wat al niet. Sterker nog, het aantal positieve sociale contacten blijkt zelfs te stijgen. Alsof we het groen herkennen als iets troostends, iets helends, iets waar we vredig van worden.

Dit soort grote horticulturele gebaren, met smaak geïntegreerd in de structuur van de stadsaanleg, bestaan nog wel, maar vooral op papier. In ons land en onze steden lijkt een groene structurele visie zoek. Praktische overwegingen van onderhoud of tijdelijkheid zijn belangrijker dan botanische interesse of een goed ontwerp. In het kader van de ‘herprofilering’ van de straten worden vijftig jaar oude bomen weggehaald om de stoep te kunnen verbreden of een fietspad aan te leggen.

De binnensteden in ons land worden vol gezet met ‘gezellige’ plantenbakken met torengeraniums – makkelijk te verplaatsen als je moet herprofileren. In de nieuw ontworpen Vinexwijken vind je geen singels meer met 35 soorten bomen. Daar vertaalt het horticulturele gedachtegoed zich in een slecht onderhouden grasmat met een berg zwerfkeien en twee Philip-Starckstoelen.

We hebben ‘goed’ groen nodig. Ik wil in onze steden cypressen, treurwilgen, beuken, kastanjes, magnolia’s en geurige linden terug. Laten we gaan ‘shoppen’ in een bos. Erken dat de natuur een wezenlijk onderdeel is voor een duurzame welvaart, ook in een stad.

Tenslotte, God schiep de tuin van Eden, met een groot botanisch gebaar. Hij liet er bijvoorbeeld al direct appels groeien, en dat is erg knap. God schiep eerst de tuin en toen pas de mens, want hij wist dat hij moest zorgen voor een troostende entourage. En God wist dat wij het groen zouden herkennen als iets waar we vredig van zouden worden – eigenlijk is er sindsdien niet veel veranderd.

En: God hield niet van geraniums.

Dit is de bewerkte versie van een column die is uitgesproken in de debatreeks Gelukkig Rotterdam, die NRC Handelsblad organiseert samen met de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur. Meer informatie hierover via www.rrkc.nl