‘Europese leiders zijn provincialen’

De neergang van Amerika dwingt Europa tot een actieve rol op het wereldtoneel, zegt de Britse historicus Tony Judt. „Europa ís niet zwak.”

‘Zal ik mijn toespraak in Den Haag omgooien?” , zegt Tony Judt glunderend aan het eind van ons gesprek. „Zal ik het nou eens niet over Europa hebben, maar over de joodse lobby in Amerika?”

De Britse historicus doelt op een incident van vorige maand, toen het Poolse consulaat in New York, na druk van de Anti-Defamation League en het Amerikaanse Joods Comité, een bijeenkomst annuleerde waar Judt zou spreken. Niet iedereen in Israël en Amerika is gecharmeerd van zijn kritische artikelen over Israël in de New York Review of Books. Judt is op toernee door Europa om zijn boek Postwar te verkopen. Postwar is een dikke politieke, culturele en sociale geschiedenis van Europa (oost en west) van 1945 tot heden en het is een must voor iedereen, die wil weten hoe Europa herrees uit de puinhopen van de twintigste eeuw.

Tony Judt (58) werkt als hoogleraar Europese geschiedenis en directeur aan het Erich Maria Remarque Instituut van de universiteit van New York. Hij is opgegroeid als kind van joodse ouders in East End in Londen en opgeleid aan de universiteit van Cambridge en heeft tal van publicaties over de Franse en Europese geschiedenis op zijn naam staan. Postwar is zijn magnum opus.

Europa, zegt Judt, laat een periode van welvaart en stabiliteit achter zich. Het einde van de Koude Oorlog, de globalisering en de neergang van Amerika dwingt Europa tot een actieve rol op het wereldtoneel. Maar of de Europese leiders van vandaag daartoe in staat zijn? Of Judt nu luistert naar Angela Merkel in Berlijn, naar de Franse presidentskandidaat Nicolas Sarkozy, naar de Britse minister van Financiën Gordon Brown die als opvolger van premier Blair wordt getipt of naar Jan Peter Balkenende: „Niemand durft de grotere politieke en Europese thema’s op te pakken. Politici denken dat ze alleen nog verkiezingen kunnen winnen door zich te richten op de plaatselijke politiek. Dat is rampzalig, omdat Amerika’s aanzien in de wereld lager is dan ooit. Europa zou in dat gat moeten springen, maar het blijft stil.’’

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was Amerika volgens u een rolmodel voor het verwoeste Europa, maar nu noemt u het flexibelere Europa veeleer een voorbeeld voor de rest van de wereld. Europeanen zien zichzelf bepaald niet als rolmodel.

„Wat Europeanen als de zwakte van Europa beschouwen, zien andere landen vaak als een inspiratiebron. In Europa wordt gediscussieerd over kwesties als sociaal beleid versus de markt, de balans tussen nationale en Europese wetgeving, de mogelijkheid compromissen te sluiten. Dat is een voorwaarde om burgers zekerheid te verschaffen in een tijd van globalisering.

„Maar er is reden tot pessimisme. Europa heeft een sterke neiging tot navelstaren. Neem de kwestie Turkije. Het Midden-Oosten blijft de komende 25 jaar het gevaarlijkste gebied van de wereld. Turkije, als grote, goed bewapende, islamitische maar wel seculiere staat is van cruciaal belang voor die regio. Turkije heeft, vanwege de oorlog in Irak, zijn vertrouwen in Amerika verloren. Er is een jonge generatie Turkse professionals, die zich beschouwen als toekomstige Europeanen.

„Europa móet een heldere strategie hebben tegenover Turkije. We hebben de keuze: óf we integreren een groot moslimland in Europa, óf we vervreemden Turkije van Europa en laten het over aan Rusland, het Midden-Oosten en de Turkse militairen. Iedereen die ik in Istanbul heb gesproken voorspelde dat het conflict over de islam dan zal oplaaien en het ressentiment tegen Europa zal groeien. Maar of ik nu luister naar Merkel, Balkenende, Sarkozy of Brown, het enige waar ze mee komen is allerhande bezwaren en pleidooien voor uitstel. Dat is het antwoord van een Europese Unie die zichzelf niet als speler op het wereldtoneel beschouwt.’’

Waarom schrikken Europese leiders daarvoor terug?

„De Europese politici van vandaag slagen er niet in strategisch te denken. Dat heeft verschillende oorzaken. Al onze politieke leiders horen tot de babyboomgeneratie. Ze zijn opgegroeid in een stabiel West-Europa met een vanzelfsprekende welvaart en een opmerkelijke homogeniteit. Iedereen was toen blank en christelijk, dankzij Hitler en Stalin waren de minderheden dood. Dankzij de dekolonisatie had Europa weinig betrekkingen met de buitenwereld.

„Daaruit is een generatie politici voortgekomen die niet in staat is politieke risico’s te nemen of politiek leiderschap uit te oefenen. Hoe lang heeft het niet geduurd voordat Frankrijk erkende dat er een probleem was met de banlieues, voordat Engeland inzag dat er wrijvingen bestonden tussen de Pakistanen en Bengalen en de lokale bevolking, voordat Nederland begreep dat er moeilijkheden waren in Rotterdam? In de jaren negentig maakte ik in Wenen de opmars mee van Haider die van alles riep over Roma, Turken en immigranten. Niemand wilde daarover praten en toen kreeg hij 25 procent van de stemmen. Het erge is: toen de politici wakker werden waren ze al een deel van de stemmen kwijt aan de Fortuyns en het Vlaams Belang.’’

Tijdens de campagne in Nederland voor de verkiezingen op 22 november wordt het onderwerp ‘integratie’ weer nauwelijks aangeroerd.

„Ik heb Nederland zich de laatste tien à vijftien jaar steeds meer in zichzelf zien terugtrekken. Dat werd duidelijk bij het ‘nee’ over de Europese Grondwet. Al vóór Fortuyn en Van Gogh maakte het zich zorgen over zijn eigen identiteit en het verlies van soevereiniteit. Maar je ziet het overal: Angela Merkel is een typisch Oost-Duitse, provinciaalse politica, met een kleindeutsche opvatting over politieke strategie. Ik heb haar in haar verkiezingscampagne zien opereren in de Turkse kwestie. Haar voorstellingsvermogen gaat niet verder dan het culturele conflict en de economische competitie met de Turken in Duitsland.

„Datzelfde provincialisme zie je in Frankrijk met Sarkozy en Ségolène Royal, de toekomstige presidentskandidaten. Ze denken de verkiezingen te kunnen winnen door zich te concentreren op nationale kwesties. Sarkozy weet zijn politieke kansen heel goed in te schatten. Ongeveer 20 procent van de Fransen denkt op Le Pen te gaan stemmen en die stemmen wil hij hebben. Hij positioneert zich dus als anti-buitenlanders, anti-Turks, eurosceptisch, franco-français en geobsedeerd door veiligheidsthema’s.

„Het paradoxale is dat het succes van het naoorlogse Europa juist lag in het feit dat het zich beschouwde als apolitiek en niet-ideologisch. De Europese Unie is institutioneel opgebouwd, niet politiek. Dat kon ook niet anders. In de jaren ’40, ’50, zo kort na de oorlog, zou de overgrote meerderheid van de Europese landen nooit in zee zijn gegaan met een politiek project. Maar nu moet Europa een internationale rol gaan spelen.’’

Maar Europa voelt zich bedreigd: van binnen door de integratieproblemen, van buiten door de globalisering.

„Er zijn 16 miljoen moslims in Europa op een bevolking van 450 miljoen. Dat is een heel kleine minderheid. Het is een politiek probleem, geen economisch of demografisch probleem. We zien dat noch het model van multiculturalisme op zijn Hollands, noch de Engelse oplossing van segregatie, noch de Franse totale assimilatie een oplossing bieden. Integratie heeft niets te maken met de islam op zich. De meeste jongeren die bussen in de fik steken in de buitenwijken van Parijs zijn niet religieus actief. De derde generatie zwarte, bruine of Arabische jongeren is boos omdat ze niet delen in de welvaartsstaat. Ons probleem is hoe we deze mensen politiek incorporeren.

„Maar als we deze sociale segregatie tot een ‘botsing der beschavingen’ bombarderen, dan worden we een heel eng Europa. Blair en Brown roepen nu voortdurend dat de moslimgemeenschap niet past in de Britse cultuur. Als ze de Britse normen en waarden niet omarmt, zal ze nooit worden geaccepteerd. Maar als je het woord moslim vervangt door ‘jood’ dan klinkt dat toch als ouderwets antisemitisme. Europa heeft zo lang in een wereld zonder oorlog geleefd dat we ons niet realiseren hoe bedenkelijk we reageren op een betrekkelijk kleine maar erg zichtbare minderheid. Dat vind ik heel gevaarlijk.

„Dan de bedreiging van buitenaf. Het antwoord op de globalisering is niet simpelweg dat je van Europa een soort China maakt. Zelfs als je fabrieken overplaatst naar Tsjechië, Moldavië en Roemenië, gaat ons dat niet lukken. Bovendien zou het binnen vijf jaar de deur openzetten naar fascisme, omdat er een enorme populistische reactie zou komen op het verlies van banen. Wij leven in een wereld waarin politiek behandeld wordt als toegepaste economie.

„Als ik bijvoorbeeld de cover van The Economist van deze week zie, dan huiver ik. Je ziet de Franse vlag en daaroverheen een foto van Margaret Thatcher met de tekst: ‘Wat Frankrijk nodig heeft’. The Economist wordt volgeschreven door dertig jongens van de London School of Economics die alleen maar kunnen denken in termen van economische groei en winst.

„Maar wij leven niet in een wereld waarin politieke democratie is gegarandeerd. We zijn vergeten dat de verzorgingsstaat ooit is opgebouwd als politiek afweermiddel, als barrière tegen het verleden, tegen de politieke consequenties van de economische Depressie in de jaren dertig. Politici hebben maar één antwoord op het beteugelen van de overheidsuitgaven en het stimuleren van economische groei: de ontmanteling van de verzorgingsstaat. Over de ernstige politieke consequenties daarvan denken ze niet na.

„Globalisering schept enorme onzekerheid en we moeten ons realiseren dat we een tijdperk van angst betreden. En dan roepen mensen om de terugkeer van een sterke staat. De kunst is om het open Europa in evenwicht te laten zijn met die psychologische behoefte aan een sterke staat.

„In dit opzicht is het Europese model flexibeler dan het Amerikaanse. Van alle westerse landen is Amerika het provinciaalst. Ik woon in Amerika en ik zie het land zich bliksemsnel afsluiten van de wereld. Dit land wordt een gated community.’’

Was de Europese grondwet een instrument om Europa weer in het rechte spoor te krijgen, of was het een dwaalspoor?

„De symboliek van die grondwet was een heel slecht idee, want alle westerse landen denken dat een grondwet over soevereiniteit gaat, in dit geval dus over een Europese soevereiniteit. Giscard d’Estaing (voorzitter van de Conventie die de grondwet voorbereidde – red.) moest er zo nodig zijn stempel op drukken. Maar Giscard is geen Thomas Jefferson, die een grondwet kon maken die mensen raakte. Er zijn nu twee dingen noodzakelijk: iedereen is het er over eens dat we bestuursstructuren nodig hebben om in Europa beslissingen te nemen. Maar er moet ook een minister van Buitenlandse Zaken komen, die Europa naar buiten toe kan vertegenwoordigen.

„Europa ís niet zwak. Het Britse of Franse leger had de Balkan-crisis met gemak kunnen bezweren. De Serviërs stelden militair niets voor. Het is gewoon een kwestie van politieke wil. Ik was optimistisch over Europa tot aan de oorlog in Irak, toen Blair en Aznar het continent door deelname aan de oorlog verdeelden. Dat is voornamelijk Blairs fout. Hij heeft de mogelijkheid om uit te groeien tot een Europese leider niet benut door domweg de Amerikaanse kant te kiezen. Blair heeft toen de steun van Europa verloren en daarmee Europa hopeloos verzwakt.

„Daar komt nog bij dat de Oost-Europeanen een Europees perspectief missen. Ze zijn pro-Amerika. Dat heeft te maken met de begrijpelijke, maar niet geheel juiste overtuiging dat Amerika hen bevrijd heeft. En ze zijn bang voor Rusland. Voeg dat bij het feit dat de toetreding van de nieuwe lidstaten lang op zich heeft laten wachten. De kosten zijn hoog, terwijl de baten nog in het verre verschiet liggen. Het was niet moeilijk te voorspellen dat in Oost-Europa populistische anti-Europese partijen zouden opkomen. De Oost-Europeanen willen wel lid zijn vanwege het geld, maar cultureel en retorisch zijn ze anti-Europees. Het gevaar is dat die landen in de komende jaren een sterkere Europese rol op het wereldtoneel zullen tegenwerken.’’

Ziet u Europa zich, zie het debat over Turkije, weer ontwikkelen langs religieuze lijnen?

„Religie is een van de redenen dat Europa en Amerika uit elkaar zijn gedreven. De meeste jonge Europeanen hebben geen enkele ervaring met beleden godsdienst. Er is een kleine groep die zich in een onzekere wereld tot de helderheid van religie wendt, in het christendom zowel als de islam. Daar maak ik me geen zorgen over. Waar ik me wél zorgen over maak, is dat Europa het christendom misbruikt om het continent op slot te doen. Dat toont een Europa dat zich isoleert van de wereld. Amerika is een heel actief christelijk land. Dat zie je als je naar het Midden-Oosten kijkt. Toen Bush het in de War on Terror over kruistochten had, was dat geen slip of the tongue, nee, dát is het wereldbeeld van Amerika, the City on the Hill die een moreel project in petto heeft voor de rest van de wereld.

„Wij in Europa praten zo niet, deels omdat wij uit het verleden weten waar dat toe leidt. Maar dat besef mogen we niet kwijtraken. Voor Merkel was de morele autoriteit van de Evangelische Kirche een manier van verzet tegen de totalitaire DDR. Dat was toen begrijpelijk, maar nu we niet meer hoeven op te boksen tegen totalitarisme, wordt dat een buitengewoon provinciaals standpunt. Dat jaagt me angst aan.’’

Wordt energiepolitiek het volgende onderwerp dat Europa verdeelt? Merkel pleit wel voor een Europees energiebeleid, maar tegelijkertijd sluit zij afzonderlijke contracten met Poetin.

„Europa heeft beslist een gemeenschappelijke energiepolitiek nodig, maar daar is Brussel niet mee bezig. Dat is een verbijsterende misser. Iedereen verwijt Amerika dat het geen energiebeleid heeft, maar Amerika weet in elk geval wat het wil: de olievoorraden beheersen tot alles op is. En dan gaan we met zijn allen fijn op Mars wonen.

„Maar de Europeanen kúnnen de olie niet controleren, zeker niet als ze lelijk doen tegen Turkije. We hebben geen voorraden en geen macht. Rusland daarentegen heeft voorraden én macht. De Poolse premier was deze week in Berlijn op bezoek om zijn zorgen uit te spreken over de omstreden gaspijplijn van Rusland naar Duitsland. Nou heeft de Poolse premier wat Europa betreft weinig recht van spreken, maar het is een aardige illustratie van de situatie: het énige onderwerp waarover mijn oude Poolse vrienden van Solidariteit het met hun nationalistische premier eens zijn is hun paranoia tegenover Rusland en de angst dat Duitsland hen in de kou zal laten staan.

„Het gevaar is dat de landen van Europa niet tot een gezamenlijke energiepolitiek kunnen komen, en dan allemaal voor zich zullen reageren. Het ontstaan van een autonome Duitse politiek is, zoveel jaar na de oorlog, onvermijdelijk. Maar het is een risico voor Europa. Duitsland was een politiek vacuüm in het hart van Europa, maar nu dringt in Berlijn het besef door dat het een eigen politiek belang heeft. Als Duitsland niet meer Europees denkt, kan Europa uiteenvallen. Want Frankrijk mist de politieke wil om een leidersrol te spelen en Blair heeft als leider gefaald. Hij is niet meer in staat zijn Europese vrienden te beïnvloeden.”

EU-voorzitter Barroso waarschuwt voor een nieuw economisch protectionisme. Gaat het nationale eigenbelang domineren?

„Ja en dat is slecht nieuws. Maar een aantal verworvenheden van vijftig jaar Europese integratie blijft bestaan. We hebben een Europees Hof van Justitie. Er is een klasse van jonge goed opgeleide Europeanen ontstaan. Dat alles zal niet verdwijnen. We keren niet terug naar de Kleinstaat Europa. Maar we dreigen de kans mis te lopen om méér te zijn. We lopen het risico dat er een kloof ontstaat tussen het culturele, institutionele bouwwerk Europa en het nationalisme van politici die er campagne tegen voeren. Dat kun je een tijdje volhouden, maar daarmee wordt Europa irrelevant in de wereldpolitiek.”

Tony Judt - ‘Na de oorlog, een geschiedenis van Europa sinds 1945’, Uitgeverij Contact.

Ander werk van Tony Judt:

The Burden of Responsibility:

Blum, Camus, Aron and

the French Twentieth Century.

With Us or Against Us: Studies

in Global Anti-Americanism.

A Grand Illusion? An Essay on

Europe.

Past Imperfect: French

Intellectuals, 1944-1956.

Marxism and the French Left:

Studies in Labour and

Politics in France 1830 - 1982.

Socialism in Provence 1871 - 1914:

A Study in the Origins of the

Modern French Left.