Een zwaard scherper dan Zorro

Welke boeken zijn aanraders voor beginnende en geoefende lezers? Een tweewekelijks rondje langs de eeuwige jachtvelden van de wereldfictie brengt Pieter Steinz bij De zwaardvis van Hugo Claus

„Ik richt mij tot verschillende soorten lezers omdat ik de behoefte voel met verschillende stemmen te spreken”, zei Hugo Claus in 1989 tegen NRC Handelsblad. „Ik bied mijn lezers een Bijenkorf van mogelijkheden aan. In mijn warenhuis kan men op de tweede etage iets heel exclusiefs kopen en op de begane grond een tandpasta. Zo’n groot warenhuis wil ik zijn.”

Claus sprak over één boek, het toen net verschenen boekenweekgeschenk De zwaardvis, waarin hij een dorpsverhaal had verbonden met heidense en christelijke mythen. Maar hij had het ook over zijn proza-oeuvre kunnen hebben. Vanaf zijn debuut De metsiers wisselde hij gelaagde tragedies als De verwondering en Omtrent Deedee af met vlotte maar zeer aanstekelijke tussendoortjes als Het jaar van de kreeft (1972), waarin hij zijn relatie met de Nederlandse actrice Kitty Courbois verwerkte. Geen wonder dat de Stichting CPNB hem eind jaren tachtig vroeg om het geschenk voor de boekenweek te schrijven.

De zwaardvis, het verhaal van een broeierige zomerdag die eindigt met een gruweldaad, is niet alleen door de locatie (het platteland van West-Vlaanderen) en de vele mythologische verwijzingen een typische Claus-roman. De personages spreken in het gestileerde ‘kunst-Vlaams’ dat de Meester van Brugge als geen ander beheerst, en het katholicisme – dat België in de ogen van Claus heeft verstikt – komt er niet goed vanaf. De gebeurtenissen worden verteld vanuit het perspectief van vijf verschillende personages van wie er twee, onder wie de tienjarige Maarten, kampen met een lichte vorm van godsdienstwaanzin.

Maarten is de zwaardvis uit de titel, althans zo ziet hij zichzelf het liefst – in navolging van Jezus, wiens symbool de vis is, maar die niets anders kan zijn dan een zwaardvis die met een zwaard ‘scherper en sneller dan dat van Zorro […] de zondaars en de tollenaars aan mootjes’ hakt. Het jochie, zo wordt de lezer snel duidelijk, is katholiek gebrainstormd door een eigenaardige schooljuffrouw; maar als zijn moeder hem vraagt waarom hij met een kruis op zijn rug door een weiland loopt, weigert hij zijn leermeesteres te ‘verraden’ en schuift hij de schuld op meester Goossens. Het bezoek van zijn moeder, de mooie gescheiden Sibylle, aan de schoolmeester zet de keten van gebeurtenissen in gang die tot de dood van een vrouw zal leiden.

Dat laatste weten we al vanaf hoofdstuk twee, een mooi voorbeeld van een flashforward in deze door sprongen in de tijd gekenmerkte novelle. De zwaardvis is geen whodunnit, maar een watskebeurt. Pas in het laatste hoofdstuk weten we wie er vermoord is en waarom. De rest is tragedie. Goed verteld drama dat de hand van de ervaren toneelschrijver Claus verraadt, en dat af en toe nog heel geestig is ook. Bijvoorbeeld wanneer Maarten God de Vader tijdens zijn boetedoening met het kruis nergens ontwaart, ‘terwijl hij toch geacht wordt te verschijnen tussen de wolken om zijn zoon aan te moedigen – zoals een ploegleider in zijn open auto doet, als hij naar de renner die op kop rijdt en schromelijk afziet in de Franse bergen het nog te rijden aantal kilometers roept.’

Jawel, een Homerische vergelijking, en dat is nog maar één van de vele klassieke grapjes die Claus zich in De zwaardvis veroorlooft. In zijn liefde voor de literatuur uit de oudheid heeft hij wel iets weg van Meester Goossens, die een toneelstuk over de moedergodin Cybele heeft geschreven dat zijn vrouw een twijfelachtig compliment uitlokt. ‘Het is diep, mijn kwarteltje, heel diep maar wel antiek’, zegt ze. Beide dingen kun je ook van Claus’ geschenkje zeggen. Maar 17 jaar na verschijning is De zwaardvis behalve diep en antiek, ook luchtig en modern – een literair warenhuis op zichzelf.

Wilt u reageren? steinz@nrc.nl