Een lesje prehistorie

Scholieren moeten voortaan in de geschiedenisles een algemeen en ‘canoniek’ overzicht verwerven. Cor van der Heijden reisde alvast terug naar de eerste van de tien te behandelen tijdvakken

Voor geschiedenisdocenten – en hun leerlingen – keren de mooie tijden weerom. Het grote overzicht en de daarbij behorende prachtige verhalen komen weer terug op het menu. Tenminste, als de minister het deze week uitgebrachte advies overneemt. Voor het eerst sinds lange tijd zullen bovenbouwleerlingen van het voortgezet onderwijs weer iets te horen krijgen over de prehistorie.

Een uitstapje naar de Dordogne ligt dan voor de hand. In het dal van de Vézère liggen zo veel grotten en prehistorische vindplaatsen dat de Unesco het dal al in 1979 opnam in de lijst van werelderfgoederen. ‘Er is geen andere prehistorische vindplaats ter wereld die deze evenaart in de kwantiteit, kwaliteit en gevarieerdheid van de vondsten’, luidde de motivatie.

grot van lascaux

De naam en faam dankt het gebied vooral aan de grot van Lascaux. Het verhaal van Lascaux I en Lascaux II is te mooi om niet in het kort te vertellen. In 1940 duurden in Frankrijk, in verband met Duitse inval, de schoolvakanties wat langer dan normaal. Om de tijd te doden wandelden op 12 september van dat jaar vier jongens met een hond door het bos. Op een bepaald moment was de hond spoorloos verdwenen. Hij bleek in een spleet te zijn gevallen, die ontstaan was doordat een herfststorm een grote den ontworteld had. Het baasje liet zich door het wat groter gemaakte hol ruim zeven meter naar beneden glijden. Zijn vrienden volgden hem naar de aardedonkere grot. Met enkele lucifers werd wat licht gemaakt en tot hun verbazing zagen ze zich omringd door op de wand geschilderde paarden, herten en stieren. Vier dagen lang wisten zij hun ontdekking van de 17.000 jaar oude grotschilderingen geheim te houden. Op verzoek van hun onderwijzer kwam dé expert van dat moment, Abbé Henri Breuil, een kijkje nemen. Deze was verrukt en doopte een van de zalen in het U-vormige grottencomplex meteen om tot ‘de Sixtijnse kapel van de prehistorie’.

In 1948 waren de noodzakelijke voorzieningen aangebracht – een goede toegang, zware ijzeren deuren en airconditioning – en werd de grot opengesteld voor onderzoekers en andere belangstellenden. De stroom bezoekers zwol aan tot duizenden per dag. Al na korte tijd eiste deze bezoekersstroom haar tol: rond 1960 zag een geregelde bezoeker van de grot op een wand een klein groen plekje dat er voorheen niet was. Toen dit in de daaropvolgende weken groter werd, sloeg hij groot alarm. De maladie verte bleek een alg te zijn. Op de meest uiteenlopende manieren werd de plaag bestreden. Zelfs het beperken van het bezoekersaantal tot vijf per dag bleek niet afdoende. In 1963 werd de grot voor alle bezoek gesloten.

Het departementale Bureau voor Toerisme was hoogst ongelukkig met het wegvallen van een van de topattracties van het gebied. Samen met het Conseil Général van de Dordogne werd het plan opgevat om een exacte kopie van de oorspronkelijke grot te gaan bouwen. Renaud Sanson reconstrueerde met de computer de onderaardse gewelven tot op de millimeter nauwkeurig. Op 200 meter afstand van de in 1940 gevonden grot werd tien jaar lang gewerkt aan ‘Lascaux II’. Monique Peytral was verantwoordelijk voor het grootste deel van de schilderingen die met natuurlijke pigmenten en prehistorische technieken werden aangebracht. Hoewel slechts twee zalen uit het honderd meter lange complex zijn gereconstrueerd, is het meer dan de moeite waard om hiervoor vanuit Montignac de twee kilometer lange slingerweg bergop af te leggen.

bizons en oerossen

Voor wie de in Lascaux afgebeelde dieren in levende lijve wil aanschouwen en iets meer te weten wil komen over de techniek van deze paleolithische kunstenaars, kan vervolgens naar het tien kilometer verderop gelegen Le Thot gaan. Daar is in 1972 – wederom op initiatief van het departementale Bureau voor Toerisme – het Centre d’art préhistorique opgericht. Dit is niet alleen een statisch museum waarin veel afgietsels van prehistorische artefacten tentoongesteld zijn, maar daar valt ook een heleboel te doen en te beleven. Zowel jong als oud krijgen er de gelegenheid om aan de slag te gaan met een papje van in de directe omgeving gevonden natuurlijke kleurstoffen. Buiten is er een royale dierentuin, waar geprobeerd wordt om met behulp van een uitgekiend terugfokprogramma zo veel mogelijk ‘prehistorische dieren’ rond te laten draven en grazen. De bizons, oerossen, herten, tarpans en Przewalskipaarden beginnen al meer op de in Lascaux afgebeelde beesten te gelijken dan op hun soortgenoten elders. De wolharige mammoet met zijn grote gebogen slachttanden, die om de paar minuten zijn rechtervoorpoot even optilt en een trompetterend geluid laat horen, is een dissonant. Bij de opening van Lascaux II in 1983 bestond de vrees dat deze regio zou verworden tot een ‘prehistorisch Disneyland’. Dat is niet gebeurd, op deze mammoet in Le Thot na dan.

mammoetafbeeldingen

Een half uurtje verder stroomafwaarts wacht bij Rouffignac de volgende verrassing: de Grot van de Honderd Mammoets. In een enorme grot, met ruim acht kilometer gang, is de grootste verzameling prehistorische grotschilderingen ter wereld te vinden. De helft van alle bekende afbeeldingen is in deze grot geconcentreerd. De grot van Rouffignac dankt zijn naam aan de ongeveer honderdvijftig mammoetafbeeldingen, die veelal als summiere lijntekeningen op de zachte rots zijn aangebracht. Dat is opmerkelijk omdat tekeningen van mammoets zeldzaam zijn; paarden en runderen (met ieder een aandeel van ongeveer dertig procent) zijn het best vertegenwoordigd.

De Grot van de Honderd Mammoets wordt al vanaf de zestiende eeuw onafgebroken bezocht. Vandaag de dag voert een elektrisch treintje de bezoeker op een comfortabele wijze, maar in het donker, naar de grote zaal. Als vervolgens de lamp aangaat en het plafond in het volle licht komt te staan, heeft de bezoeker een tijdje nodig om in de wirwar van lijnen iets te ontdekken. Na aandachtig turen worden paarden, mammoeten, bizons, steenbokken en zelfs neushoorns ontdekt.

Evenals in Lascaux lenen hier dieren elkaars lichaamsdelen: de voorpoot van het ene dier is de achterpoot van het andere. Ook hier is mooi te zien hoe de prehistorische kunstenaars optimaal gebruik maakten van het reliëf op de wanden van de grotten. Een bolling in de wand wordt de buik van een rund, een breuklijn in de rotswand markeert de rug van een paard en een uitstekend steentje of stukje schelp is het oog van een bizon.

pijlpunten en vuistbijlen

Voor wie nog niet verzadigd is, wacht in Les Eyzies nog een toetje. In het Musée Nationale de Préhistoire zijn bijna 20.000 voorwerpen tentoongesteld. In eindeloos lange vitrines liggen de schrapers, pijlpunten, vuistbijlen en andere veelal kleine werktuigen uitgestald. Over de opzet en inrichting van het in 2004 in een nieuw gebouw ondergebrachte museum is ongetwijfeld lang nagedacht. Een korte rondwandeling is voor velen al voldoende om te kunnen bepalen naar welke categorie kunst, die de Cro-Magnon mens heeft nagelaten, de voorkeur uitgaat. Dat de art mobilier (de draagbare kunst) het moet afleggen tegen de art pariétal (de kunst op een vast oppervlak) vindt men bij het departementale Bureau voor Toerisme geen probleem. Integendeel.

www.best-of-perigord.tm.fr www.dordognemaison.com