Dorpswetenschap

Moeten Nederlandse onderzoekers hun nieuwe kennis aanbieden aan de lokale middenstand? Aan Philips, AKZO, DSM? Als wij nieuwe kennis genereren met toepassingsmogelijkheden, moeten wij die dan uitventen in de provincie of mogen wij daar ook internationale partners bij zoeken? Deze vraag stelt (in iets andere bewoordingen) Eric van Damme, hoogleraar economie aan de Universiteit van Tilburg, in het septembernummer van Hypothese, het blad van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

De aanleiding voor deze vraag zijn de grootse plannen van NWO, dat 400 miljoen meer wil van het kabinet, een budgetverdubbeling. Een groot deel van dat geld moet gaan naar ‘wetenschap voor de samenleving’, dat wil zeggen wetenschap, waarin ‘de prioriteiten van maatschappelijke partijen en het bedrijfsleven mede bepalend zijn voor de keuze van onderzoeksthema’s’. Zelfs het midden- en kleinbedrijf wordt met enige nadruk genoemd in Wetenschap gewaardeerd, de NWO-strategienota 2007-2010.

Van Damme vindt het onzin dat NWO de klantenbinding met de lokale dorpswinkels poogt te bevorderen. Wetenschap is niet aan grens gebonden. Kennisvergaring is een mondiale activiteit. Wij profiteren van de kennis die elders wordt gegenereerd en bouwen er op voort, zoals onderzoekers elders dat ook doen met onze kennis. Goede onderzoekers pogen moeilijke problemen op te lossen en dat zijn niet in de eerste plaats lokale problemen. Wie knappe koppen dorpsproblemen op wil laten lossen, verspilt talent. Een nationale focus is ook zelfzuchtig. “Wetenschappelijke kennis is in eerste instantie een publiek goed”, schrijft Van Damme, “en de samenleving is mondiaal”.

Daar komt iets bij. Waarom zouden onderzoekers zich inspannen voor een samenleving die wel praat over kenniseconomie, maar daar maar weinig geld voor over heeft, vraagt Van Damme: Nederland is een van de weinige landen waar de R&D-uitgaven zijn gedaald in de periode 1995 – 2004 als percentage van het bruto binnenlands product. Kennis heeft geen prioriteit in Nederland. Het is iets voor praatgroepen zoals het innovatieplatform, niet iets waar je fors geld in steekt. Onze samenleving wil voor een dubbeltje op de eerste onderzoeksrang zitten. Waarom zouden wij als onderzoekers dan meer dan een kwartje teruggeven?

Ik kan mij die kwaadsappigheid van Van Damme wel voorstellen. Hij is econoom en in die wetenschap is de roep om maatschappelijk relevant onderzoek schril en persistent. Politici hebben een onstilbare dorst naar beleidsonderbouwend onderzoek dat hun onwankelbare overtuigingen ondersteunt. Echt onderzoek geeft echter geen pasklare oplossingen voor politieke problemen en zeker niet de oplossingen die de opdrachtgevers in gedachte hadden. Ik kan mij voorstellen dat onderzoekers in de sociale wetenschappen met argwaan naar de politiek kijken en zenuwachtig worden als hun wetenschap voor de samenleving moet worden ingezet.

In mijn vak, de biomedische wetenschappen, ligt dat gemakkelijker. Ook in dat gebied betekent wetenschap voor politici niet ‘meer kennis’, maar meer toepassingen: betere pillen, steviger kunstheupen, meer preventie, goedkopere zorgoplossingen. Uit mijn jonge jaren, toen ik zelf nog met politici verkeerde, weet ik echter dat het desondanks mogelijk is om uit te leggen dat die spectaculaire nieuwe therapieën voor vreselijke ziekten niet voor het grijpen liggen, maar afhankelijk zijn van fundamentele nieuwe inzichten, die wij eerst moeizaam moeten verwerven. Wat makkelijk te vinden is, is inmiddels gevonden. Dat fundamenteel onderzoek de basis is voor vooruitgang in de medische wetenschap, weten zelfs politici.

Daar komt een praktische overweging bij: nieuwe biomedische kennis kan door startersbedrijven vertaald worden in betere zorg en het is handig als die startersbedrijven naast de deur zijn van de academische instellingen, waar de kennis wordt gegenereerd. Zo komen er ook banen voor al die goede onderzoekers die wij opleiden en die niet allemaal onder dak kunnen of willen komen in een academische baan. Ik zie daarom meer in samenwerking met de plaatselijke middenstand dan Van Damme, die zijn stukje eindigt met de retorische vraag: “Bovendien, als wij onze kennis dan toch te gelde willen maken, zijn Chinese yuans of Amerikaanse dollars dan niet minstens zo interessant als Hollandse euro’s?”

Zeker, gedwongen nering met tweederangs Nederlandse bedrijven werkt contraproductief. Ook eens met de stelling dat een enge nationale focus kortzichtig is, maar het is toch simpeler om samen te werken met een buurtwinkel, dan met een bedrijf in Amerika. Ik werk nu samen met een bedrijfje (MRC-Holland), dat is opgezet door een voormalige student van mij en dat met succes klinische DNA-testen op de markt brengt. Het is lang geleden dat ik iets heb bijgedragen aan de opleiding van die student en die DNA-test heeft hij ook zelf bedacht, maar het is toch extra bevredigend dat wij nu samen zijn test toepassen bij het beantwoorden van de vraag hoe tumoren resistent worden tegen chemotherapie. Samen in Amsterdam-West, het klinkt provinciaals, maar dorpswetenschap is het niet.

Het is natuurlijk aardig om yuans en dollars binnen te halen voor je onderzoek, maar die Chinezen en Amerikanen gaan echt niet het geld fourneren voor ons fundamentele onderzoek, als ze daar niet beter van worden. Dat geld zal lokaal moeten worden opgebracht door Nederlandse politici die uit moeten leggen aan hun kiezers waar dat wetenschapsgeld voor wordt gebruikt. Als onderzoekers kunnen wij dan extatisch het belang van nieuw inzicht aanprijzen – en ik geloof daar in – maar een beetje boter bij de vis lijkt mij niet te veel gevraagd.

Zou het ook niet plezierig zijn als die dynamische jonge onderzoekers die wij opleiden ook in Nederland banen kunnen vinden? Goede onderzoekers zijn niet te beroerd om te verkassen, maar dat kan niet altijd. Als je man de Friese taal bestudeert, kun je als vrouw niet makkelijk een stimulerende, goed betaalde baan als biotechnologisch onderzoekster in Singapore aanvaarden. Daarom vind ik het mooi meegenomen als mijn onderzoek iets bij kan dragen aan de bloei van de lokale middenstand.

Nauwelijks heb ik dit neergeschreven, of mij bereikt het gerucht dat minister Maria van der Hoeven wel meer geld aan NWO wil geven, maar alleen als daarvan niets gaat naar het ‘vrije’, onderzoeker-geïnitieerde, fundamentele onderzoek. Dat zou natuurlijk absurd zijn. Het vrije onderzoek is het fundament waar alle toepassingen uit voort komen. Zonder dat fundament is het Nederlandse onderzoek gedoemd om tweederangs te worden. De beste jonge onderzoekers zullen naar het buitenland vertrekken, de kennisintensieve industrie zal die uittocht volgen. In de toekomstplannen van NWO ligt de balans tussen vrij onderzoek (bottom up) en gestuurd onderzoek (top down) naar mijn smaak al te ver naar top down. Zou de bescheiden ruimte voor vrij onderzoek verder worden afgeknepen, dan verwordt NWO tot een makelaar voor beleidsondersteunend onderzoek uitgezet door de politiek, en contractresearch ten behoeve van de plaatselijke middenstand. Wie dat wil is echt van God los en dat wens ik Maria niet toe.