De angst voor het weglekken van kennis

Nederlandse bedrijven besteden hun productontwikkeling vaker uit aan het buitenland, bleek uit onderzoek deze week. Maar er is een grens. ‘Kritische kennis’ houden bedrijven in Nederland. „In China lekt kennis snel weg.”

Met aanstekelijk enthousiasme praat chemicus Willem Sederel over de geavanceerde materialen van GE Plastics in Bergen op Zoom. Zo maakt het dochterbedrijf van het Amerikaanse conglomeraat General Electric kunststoffen (merknaam Lexan) voor de fabricage van auto-onderdelen, die door hun samenstelling heel gemakkelijk loslaten uit de spuitgietmatrijs. Hierdoor is langdurig afkoelen niet meer nodig. ,,Dat leidt tot een enorme verhoging van de efficiency’’, vertelt Sederel. Hij is als general manager verantwoordelijk voor technologiebeleid bij GE Plastics, wereldmarktleider in een aantal kunststoffen.

GE Plastics koestert z’n kennis en z’n kenniswerkers. Bij het bedrijf (in de jaren zeventig begonnen als kortstondige samenwerking met Akzo) werken 1.400 mensen. Van hen zijn er 150 actief in onderzoek en ontwikkeling (r&d, research and development). Onder hen zijn ook veel buitenlanders, zoals Oost-Europeanen. Veel van de onderzoekers zijn gepromoveerde chemici.

Vorige maand kondigde GE Plastics een investering aan van 62 miljoen euro voor aanpassing van een fabriek in Bergen op Zoom voor de productie van het hoogwaardige Lexan. Dit zogeheten polymeer, dat zelfs onder zeer extreme omstandigheden vorm en kleur behoudt, wordt niet in alleen in auto-onderdelen toegepast maar ook in huishoudelijke apparatuur, mobiele telefonie en motorhelmen. Maar waarom gaat de productie van Lexan niet naar China, waar de lonen toch veel lager liggen en waar GE Plastics bovendien al met fabrieken actief is?

Volgens Sederel speelt onder meer kennisbescherming en de wens vlak bij de klanten te zijn een belangrijke rol in de locatiekeuze. ,,We zijn bezorgd over kennisbescherming’’, zegt hij. En zijn bedrijf is niet de enige. Onlangs noemde ook chemiebedrijf DSM kennisbescherming als motief om twee fabrieken voor geavanceerde vezels in Geleen te bouwen en niet in China.

GE Plastics heeft fabrieken in Shanghai en Nansha, maar daar worden alleen ‘standaard’ polycarbonaten geproduceerd, die worden gebruikt voor producten als flessen, beglazing en compactdiscs. Binnenkort komt er een chemische productie-eenheid bij in China, want het land blijft een belangrijke afzetmarkt. Loonkosten spelen volgens Sederel maar in beperkte mate een rol in de locatiekeuzes van GE Plastics: ,,Wij zijn een procesindustrie. Zo’n zeventig procent van de kosten zijn grondstoffen, energie en afschrijving van apparatuur.’’

Deze week bleek uit onderzoek van de Erasmusuniversiteit dat Nederland, binnen een groep van vijf landen, koploper is in offshoring (naar het buitenland brengen van activiteiten) van productontwikkeling, waarbij India en China favoriet zijn. Tegelijk bleek dat per saldo in de helft van de gevallen geen banen verloren gaan. Bedrijven hebben ook redenen met r&d in Nederland te blijven.

,,We willen de site in Bergen op Zoom tot een vestigingsplaats voor chemische specials maken’’, onderstreept Sederel. Het gaat om ontwikkeling van materialen met meer specifieke eigenschappen – materiaal dat bijvoorbeeld hittebestendig, antistatisch of bacteriewerend is. De techniek van spuitgieten is heel geschikt voor carrosseriedelen van auto’s, omdat geavanceerde polymeren beter dan metalen snel in de meest uiteenlopende modieuze vormen kunnen worden gemaakt. ,,De trend van steeds kleinere series producten is daarom ook in ons voordeel’’, zegt Sederel. Nabijheid van de markt is hierbij volgens hem van belang. Dat betekent praten met afnemers. ,,Je hebt input van de markt nodig’’, aldus Sederel.

Hoofd engineering Riem Frielink van het bedrijf PDE Automotive (500 werknemers) noemt het ,,essentieel’’ dicht bij de klanten te zitten. Het Helmondse bedrijf, voortgekomen uit Nedcar, is als dochterbedrijf van het Duitse Benteler (wereldmarktleider in auto-onderdelen) bezig een toppositie te verwerven in het ontwikkelen en testen van onderdelen en volledige auto’s. Onder de klanten zijn BMW, Ford, Mercedes, Volkswagen en Volvo. De in Born geassembleerde Mitsubishi Colt komt volledig van PDE. ,,We bieden engineering aan onze klanten’’, zegt Frielink.

Inmiddels is er een PDE-dependance bij München, die exclusief voor BMW werkt. In Gotenburg is PDE voor Volvo actief. ,,We oriënteren ons op het starten van activiteiten in China’’, zegt Frielink. PDE kan daar samenwerken met Ford en Peugeot, die hun lokaal geassembleerde auto’s willen aanpassen aan de Chinese markt. China zal volgens hem op lange termijn gewoon een van de spelers op de wereldmarkt zijn.

De oprichting van ,,satellietvestigingen’’ gaat volgens Frielink zeker niet ten koste van de werkgelegenheid in Helmond, maar versterkt juist PDE’s marktpositie. ,,Als we blijven investeren houden we een voorsprong’’, zegt hij.

De belangrijkste stap werd onlangs gezet met het besluit van onderzoeksinstelling TNO Automotive naar Helmond te verhuizen, waar naast de PDE-vestiging een nieuwe testruimte voor botsproeven en een laboratorium voor motoren worden gebouwd. TNO Automotive en PDE kunnen elkaars faciliteiten en personeel gebruiken. Frielink: ,,Je kunt alleen overleven als je een sterk cluster maakt. TNO Automotive houdt zich vooral bezig met basisconcepten, terwijl wij deze concepten omzetten in serieproductie.’’

Onlangs nog schetste ook de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) een redelijk positief beeld. Zo bleek uit een enquête onder twintig ondernemingen (waaronder GE Plastics en PDE) dat veel buitenlandse bedrijven overwegen om meer te investeren in r&d-activiteiten in de regio. De meeste van die activiteiten vinden plaats in combinatie met andere activiteiten zoals productie, marketing, verkoop en logistiek. Kritiekpunt is wel dat regelgeving voor subsidies en het innovatiebeleid ondoorzichtig zijn. Ook is er kritiek op de moeilijke toegankelijkheid van kennisinstellingen als universiteiten.

De belangrijkste subsidieregeling blijkt de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO), waarvoor in 2003 ruim 360 miljoen euro werd uitgetrokken. Bijna alle onderzochte bedrijven maakten gebruik van deze vermindering van de loonbelasting voor kenniswerkers, die tot ongeveer 60.000 euro per jaar kan oplopen. De gunstige geografische ligging en de aanwezigheid van kennisintensieve bedrijven en instellingen zijn voor potentiële investeerders belangrijke factoren. Dat maakt clustervorming en samenwerking gemakkelijker.

Frielink van PDE wijst op de aanwezigheid van Philips in Eindhoven, dat door de groei van elektronica in auto’s intussen een vijfde van z’n omzet uit de automobielsector haalt. Het is volgens Frielink geen toeval dat het Duitse moederbedrijf van PDE onlangs besloot de steeds belangrijker activiteit op gebied van mechatronica in Helmond onder te brengen en niet in Spanje. Bij een rondgang langs de vele testopstellingen in Helmond wijst Frielink op de steeds verdere integratie van elektronische en mechanische autotechnieken. De kennis in de regio van Helmond en Eindhoven woog zwaarder dan de Spaanse investeringssubsidie.

Om dezelfde reden verhuist TNO Industrie &Techniek binnenkort zijn afdeling voor textielonderzoek van Twente naar Eindhoven. Onderzoeker innovatieve materialen Anton Luiken spreekt van een nieuwe generatie ‘slimme textiel’, waarin hightech een steeds grotere factor is. Met nanotechnologie krijgen weefsels via een chemische bewerking specifieke functies, zoals actieve warmteregulatie of wering van microben.

Een nog recentere ontwikkeling is de ‘intelligente biomedische kleding’, waarmee elektronicaconcern Philips zich bezighoudt. Het gaat om textiele sensoren die lichaamsfuncties kunnen monitoren, waardoor bijvoorbeeld het risico op hart- en vaatziekten is te reduceren. ,,Generieke technieken kun je wel van elders halen’’, zegt Luiken. ,,Maar de nieuwe ontwikkelingen vinden hier plaats omdat we kennis bij elkaar kunnen brengen’’, zegt Luiken. ,,Je moet je partners goed kennen.’’

Volgens adviseur kennismanagement Arno Boersma zijn Europa en Amerika daarom goede plekken voor zulke ‘open innovatie’, omdat het risico voor ongewild weglekken van kennis beperkt is. Het vormt een belangrijke vestigingsfactor. ,,Echte open innovatie kun je in China minder goed doen’’, aldus Boersma. Hij is mede-oprichter van het adviesbedrijf Squarewise, dat onder meer voor Philips projecten in China uitvoert.

Boersma deed met de Tilburgse universiteit onderzoek naar r&d en kennismanagement in China. ,,De meeste bedrijven zijn het erover eens dat het risico van kennislekken in China groot is. Ze brengen geen kritische kennis meer naar China en laten kansen onbenut’’, aldus Boersma. Een integraal kennisbeleid moet zich volgens hem vooral ook op de mensen richten. Chinese werknemers bijvoorbeeld stappen voor wat meer loon gemakkelijk over naar de concurrentie, en nemen de kennis mee.

Bovendien maken Chinese onderzoekers volgens Boersma vaak deel uit van een netwerk van overheid, universiteiten en bedrijven, waardoor kennis gemakkelijker weglekt. Daarnaast is het volgens hem ,,moeilijk’’ via de rechter patentbescherming af te dwingen. Ook al is China nu lid van de wereldhandelsorganisatie (WTO), dat patentregels heeft. Enige verbetering verwacht Boersma wel: ,,Dat komt omdat Chinese bedrijven zelf last krijgen van weglekken van kennis.”

Volgens researchmanager Willem Sederel van GE Plastics moet onderscheid worden gemaakt tussen China en India. ,,Alleen al doordat India het juridische stelsel van de Britten heeft overgenomen’’, zegt hij. Dat biedt betere garanties voor kennisbescherming. Indiërs verlaten volgens hem bovendien minder snel het bedrijf waar ze werken.

General Electric heeft in het Indiase Bangalore intussen een vestiging voor basisresearch met bijna 3.000 onderzoekers, waarin ook GE Plastics participeert. Maar volgens Sederel levert dit juist weer werk op in Bergen op Zoom. ,,Hier is de specifieke kennis en ervaring aanwezig om de Indiase onderzoeksresultaten om te zetten in praktische toepassingen.’’