Boedapest

Overpeinzingen 1368

Op negen van de tien foto’s, ansichten van het grote stadsgezicht van Boedapest, staat het Parlementsgebouw. Onvermijdelijk. Het ligt aan de Donau, het is een enorme neogotische constructie, met een koepel, torens en torentjes, ornamenten, zo gek kun je het niet bedenken of het zit erop of eraan. Ontworpen door Imre Steindl (1839-1902). Is het mooi? Dat is bij zulke gebouwen de vraag niet. Is het Paleis op de Dam mooi? Het Colosseum? De Borobudur? De Chinese Muur? Ze zijn er, ze horen er altijd te blijven. Waren de Twin Towers mooi? Wat kon het je schelen. Die twee torens hadden er eeuwig moeten blijven staan. Alleen al daarom is het zo’n infame misdaad dat ze omver zijn gevlogen.

Vijftig jaar en ongeveer een week geleden was ik in dit Parlementsgebouw, bij de persconferentie van Imre Nagy, de nieuwe premier van Hongarije die niet veel later is geëxecuteerd. Toen leek de opstand geslaagd te zijn, de Russische troepen waren verdwenen en Nagy verklaarde dat zijn land het Warschaupact zou verlaten. De menigte journalisten hielp het hem wensen, maar de geruchten deden het tegendeel vermoeden. De geruchten bleken waar te zijn. Nu, een halve eeuw later, werd de opstand herdacht. Vandaar dat ik daar weer was, deze keer op uitnodiging.

Het inwendige van het Parlementsgebouw herinnerde ik me als een schemerig doolhof van gangen en zalen, een geheimzinnige krocht. Het was een bolwerk van de Koude Oorlog, toen plotseling voor iedereen toegankelijk geworden. Wel werd het bewaakt door zwaar bewapende revolutionairen, maar met de perskaart van een westelijke krant was je van harte welkom, en ook als je er gewoon westers uitzag.

Westerlingen waren gemakkelijk te herkennen, niet aan een insigne of een vlaggetje in hun revers maar aan het geheel van hun uiterlijk dat welvaart uitstraalde, ook toen al. Onze grote vervetting is pas veel later begonnen, maar al jaren hadden we geen gebrek. In het midden van de jaren vijftig waren we gewend geraakt aan de grote welvaart. Dat beseften we zelf niet, maar aan de andere kant van het IJzeren Gordijn zagen ze het aan onze gezichten, onze kleren, natuurlijk aan onze auto’s en ook aan de manier waarop we ons gedroegen.

Dit is misschien wel het merkwaardigste van het communistisch rijk dat zeventien jaar geleden met de val van de Berlijnse Muur werd opgeheven. Ze waren er daar na 1945 in geslaagd de oorlog voort te zetten. In een oorlogstoestand hoef je elkaar niet noodzakelijk met de wapens te lijf te gaan. Oorlog is ook gelijkschakeling in schaarste, censuur, algemene achterdocht en een geheimzinnige ontduiking van de alzijdige openbare discipline. Als dit alles lang genoeg duurt, krijg je vanzelf het klimaat of het aroma van de oorlog. Het ruikt daar anders. Zo was het toen in Praag, Warschau, Oost Berlijn, Boekarest en in Boedapest. Gelijkschakeling in geur en de gedempte toon van het leven op straat.

Nu wilde ik weer naar het Parlementsgebouw, à la recherche du temps perdu. Alles zat mee. Boedapest is een prachtige stad, het nieuwe Boedapest voor het grootste deel ontstaan in de laatste helft van de negentiende eeuw. Veel grote, imposante gebouwen. Hier en daar was iets afgebroken, vervangen door een ultramodern gedoe, zo dissonant dat ik me even afvroeg of ze daar gek geworden waren. Maar zo wordt het bij ons ook gedaan. En hier is het grote geheel niet bedorven. Vaak doet het aan Parijs denken. De Donau lag er in de lichte novembernevel volmaakt bij, ook met veel dorre bladeren op de kade, net als toen.

Al mijmerend kwam ik aan het Parlementsgebouw. Op een bord las ik dat het nu een Euro-info en nog het een en ander van dezelfde familie huisvest en misschien ook nog wel het parlement, maar in ieder geval was het gesloten. Wat te doen? Terug. Er zat niets anders op. Na 1956 ben ik nog een paar keer in Boedapest geweest, maar niet meer sinds het einde van de Koude Oorlog. We zijn blij, we mogen van geluk spreken dat het goed is afgelopen, ten slotte voor alle partijen. Al jaren geleden zijn ook in deze stad de geuren van de Koude Oorlog weggeblazen. Toch liep ik terug door een halve eeuw geleden; een wandeling in vervreemding.

De volgende dag op weg naar het vliegveld had ik een taxichauffeur die oud genoeg was om het allemaal bewust te hebben meegemaakt. Opeens kwam uit een zijstraat een auto van een type dat ik lang niet gezien had. Een Trabant. Look! A Trabant!, zei ik. Hij keek, knikte langzaam en zei: Yes. Trabbi. We still have some.