Achter de gordijnen gloort de solidariteit

‘Laatst zag ik een buurvrouw over de schutting klimmen. Ze had zich buitengesloten, dus ik ben maar even gaan vragen of ze hulp nodig had. Ik had haar nooit eerder gesproken.”

Mark Pieters (31), metselaar en dansleraar uit Bolsward, vindt dat de samenleving te individualistisch is geworden. Maar hij is de eerste om te erkennen dat hij er zelf hard aan mee doet: „Ik heb geen flauw idee wie hier achter me woont. Ik heb het ook veel te druk met mijn eigen leventje. Als je veertig uur hebt gewerkt, wil je vooral even je eigen dingen doen.”

Dat zou anders moeten, vindt Pieters. „Want mensen hebben het te druk met Goede Tijden Slechte Tijden en Hart van Nederland. Het is zo makkelijk om thuis te komen en het gordijntje dicht te trekken. Ik zou best twee tot drie uurtjes in de week aan de wijkvereniging kunnen besteden. Helpen met een speelplaats voor de kinderen. Of ouderen naar een bingoavond brengen.”

Nederlanders hebben grote behoefte aan gemeenschapszin, aan een samenleving waarin mensen om elkaar geven, waarin mensen niet langs elkaar heen leven. Maar Nederlanders zijn vooral met zichzelf bezig, vinden Nederlanders zelf.

Tussen de bestaande en de ideale samenleving gaapt een kloof. Een kloof die groter is dan in landen om ons heen en die het afgelopen jaar alleen maar is gegroeid. Van de ondervraagden vinkte 91 procent „individualistisch” aan om de huidige samenleving te omschrijven, terwijl 90 procent verlangt naar het tegendeel: solidariteit. Een jaar geleden lagen die percentages nog op 89 en 80. Nederlanders hechten ook aan door de overheid georganiseerde sociale zekerheid, maar dan wel streng gecontroleerd.

Natuurlijk zijn er mensen die individualisme best vinden: „Je moet ook naar je eigen belang kijken. Als ik dat niet doe, doet niemand dat”, zegt Daan van Hoeke, een 35-jarige computerprogrammeur uit Hilversum. Of Robbert Timmer uit Deventer, een manager bij de Belastingdienst van 36 jaar: „Bij alles wat ik doe maak ik de afweging: Wat heb ik eraan? Ik wil best iemand helpen maar alleen als ik tijd heb.”

Anderen begrijpen niks van zo’n berekenende houding: „Het klinkt stom maar ik wil gewoon een normale samenleving. Dat als iemand struikelt, je hem omhoog helpt, en niet keihard gaat staan lachen”, zegt Peter van Klaveren, 36 jaar en boomkweker in Boskoop: „Ik sta op als er een krakkemikkig iemand in de bus komt. Ik doe al vijftien jaar vrijwilligerswerk en ik zeg altijd ‘goeiedag’. Sommige mensen zijn daar verbaasd over.”

Jan Boon (55), sociotherapeut uit Oude Leije, helpt een oude buurvrouw met klusjes. En Theo Pot (47), kaasmaker uit Gilze en Rije en zijn vrouw „laten de achterbuurvrouw van 88 jaar al veertien jaar van onze pot mee-eten. Daardoor kan ze daar blijven wonen.”

Sommigen laten het individualisme varen na een keerpunt in hun leven. Jacques Smulders (56) uit Capelle aan den IJssel was manager in de chemiehandel. „Ik werkte hard, verdiende veel geld. Ook ik was gek gemaakt door het materialisme. Ik wilde altijd een nieuwe auto.” Toen overleden zijn broer en een vriend die allebei 54 jaar oud waren. „Die werkten even hard als ik, vol met spanning. Toen ben ik ermee gestopt. Ik had er genoeg van. Niet meer tot in de avond werken en je gezin niet meer zien. Het is belangrijk om één te zijn met je gezin, met je familie, met de mensen uit je buurt. Ik pas nu met mijn vrouw twee keer in de week op mijn kleindochter. Dat vind ik heerlijk.”

Van de ondervraagden wil 93 procent een samenleving die gericht is op de kwaliteit van het bestaan. Maar de meesten (84 procent) zien in hun omgeving vooral een streven naar materieel succes. Niet iedereen ziet dat als een tegenstelling. „Ik wil een groter huis, een nog grotere auto. Dat bepaalt voor een groot deel voor mij de kwaliteit van het bestaan”, zegt de 37-jarige Steve Isroe, ondernemer uit Enschede.

Maar de meesten definiëren kwaliteit van het bestaan toch anders. Daan van Hoeke uit Hilversum: „Ik kies voor kwaliteit. Ik ben bewust een dag minder gaan werken toen ik een kind kreeg. Ik heb geen zin om tachtig uur te werken, ook al kan ik er rijk mee worden. Ik vind vrije tijd heel belangrijk. Om leuke dingen te doen, of om helemaal niks te doen.”

Ondervraagden geven ruiterlijk toe dat ze individualistisch of materialistisch zijn. Maar brutaal vinden mensen zichzelf vrijwel nooit. Toch omschrijft een grote meerderheid (89 procent) de samenleving als brutaal. Wie zijn dan al die brutalen? Waarom bestaat er zo’n grote hang naar bescheidenheid (80 procent) terwijl de meeste mensen zichzelf tamelijk bescheiden vinden?

Met brutaliteit worden de ondervraagden naar eigen zeggen geconfronteerd op straat, in winkels, in het verkeer. Hufterigheid, lompheid noemen de geïnterviewden dat. „In het verkeer zijn mensen die overal schijt aan hebben,” zegt Bas Wiegmans, 48 jaar, managementtrainer en paardentransporteur uit Kwintsheul. „Ik rij vaak met paarden in de vrachtwagen. Als je wist hoeveel mensen vlak voor het stoplicht nog even voor me duiken. Dan moet ik remmen en heb ik die arme paarden in mijn nek.” Jan Boon uit Oude Leije: „Veel mensen gaan ongelimiteerd hun gang. Een grote groep verwart assertiviteit met brutaliteit.”

Televisie wordt genoemd als een grote boosdoener: „Mensen gedragen zich zo grenzeloos op de buis. Alles moet mogelijk zijn. Het is een bombardement van grenzeloosheid.”

Politici dragen bij aan de brutaliteit in het dagelijks leven, vinden sommigen. „Kijk nou hoe Balkenende naar Bos uithaalt.” zegt Jacques Smulders uit Capelle: „Hij geeft zelf het slechte voorbeeld.” Daarmee wordt volgens hem ook het respect voor gezag onderuit gehaald, een houding waar 79 procent van de geënquêteerden naar terugverlangt. Vrijwel alle geïnterviewden spreken ongevraagd vol afschuw over de aanvallen op hulpverleners van ambulancediensten en brandweer.

Harder straffen en duidelijke grenzen stellen zijn oplossingen die worden aangedragen. Dat begint bij de opvoeding: „Kinderen moet je duidelijk maken: dit zijn de regels, normen en waarden. Hou je je daar niet aan, dan zijn dit de consequenties”, zegt Mark Pieters uit Bolsward: „Daar gaan we allemaal veel te makkelijk mee om. Je zet ze voor de tv en denkt: daar zijn we even van af. Ik doe het zelf ook, hoor. Mijn kinderen van zeven en vier vroegen vanochtend of ze een spelletjes mochten doen op de computer. Ik zei: ja hoor. Ze zitten er nu nog.”