Wij zijn allemaal paarden

De paarden leven nog! Op zeker vijftien na, die zijn verdronken of door onderkoeling gestorven. De andere 120 ongeveer – precies weten we het niet – zijn gered! Niet door de mens maar door de natuur, want tot verbazing der beschouwers (zoals het in christelijke taal heet) zakte bijtijds het water. Als door een wonder. Nee, het was geen wonder. Het werd eb en de storm was gaan liggen. Maar deze foto, dit beeld van de godverlaten wanhoop, kunnen ze ons niet meer afnemen. Een kudde van ongeveer 120 paarden, omringd door de grauwe zee, schuimkoppen op de golven, op de achtergrond een steppeachtig landschap. Op de voorgrond een rubberbootje waar geen paard in kan, met twee redders die nu met de rug naar de paarden zitten, omdat ze de fotograaf hebben gezien. Daarom kijken ze recht in de lens, met hun rug naar het totale Nederlandse Niets.

Precies drie jaar geleden (ik heb het nagekeken) verscheen er een foto in de dagbladen van een zwaargewond, stervend paard in een straat in Bagdad. Dezelfde wanhoop. Kunnen dieren denken? Daarover verschillen de mensen nog altijd van mening. Maar ik ben er zeker van dat sommige dieren, die we de ‘hogere’ noemen – honden, katten, paarden – beseffen wanneer ze machteloos staan tegenover de finale uitzichtloosheid. Dit clubje, in de Ferweradeels-buitendijkse polder bij Marrum in Friesland, was daarvan doordrongen. Gelaten stonden ze op hun laatste ogenblik te wachten. Te vroeg dus.

Waarom worden veel mensen geraakt bij de aanblik van een dier in zijn laatste ogenblikken? Omdat ze zich met de machteloosheid van dit nog levende wezen identificeren? Omdat ze er hun eigen noodlot in herkennen? Omdat ze nu eenmaal dierenvrienden zijn? Of door zo’n foto, even verlost van hun gebrek aan verbeeldingskracht, overweldigd worden door zelfmedelijden? Als ik een dominee was, geoefend te preken in gelijkenissen, zou ik misschien de verleiding niet kunnen weerstaan om de gemeente aan het verstand te brengen dat we deze kudde als metafoor voor de hele mensheid kunnen zien.

Er is een uitstekende aanleiding voor. We hebben weer een nieuwe ondergangstheorie: het Stern Review Report on the Economics of Climate Change verschenen onder verantwoordelijkheid van Nicholas Stern, voormalig hoofd economie van de Wereldbank. Met ijzeren zekerheid voorspelt dit rapport dat als we nu niet serieus beginnen met ingrijpende maatregelen tegen de ‘opwarming van de aarde’, we binnen een generatie het hoofd moeten bieden aan de verschrikkelijkste natuurrampen: lange perioden van droogte, mislukte oogsten, overstromingen als gevolg van de smeltende ijskappen en de daardoor veroorzaakte economische catastrofes, in omvang vergelijkbaar met de gevolgen van de wereldoorlogen en de economische crisis in de vorige eeuw.

Dat, zult u denken, hebben we eerder gehoord. In 1972 verscheen het rapport Grenzen aan de groei, van de Club van Rome, een gezelschap van wetenschappers, intellectuelen, schrijvers, een club dus zoals premier Balkenende nu in Nederland mist. Dit rapport voorspelde in grote trekken dat het met onze beschaving snel gedaan zou zijn als we om te beginnen niet zuiniger zouden omspringen met onze energiebronnen. Vierendertig jaar later, word je op Kennedy Airport begroet met op een groot bord de mededeling dat er in 2050 tweemaal zoveel auto’s zijn als nu. Zullen we de 1,3 miljard Chinezen aan hun verstand brengen dat ze niet allemaal een auto moeten willen?

Kort voor de eeuwwisseling werd voorspeld dat het wereldwijde communicatiesysteem in een puinhoop zou veranderen omdat de digitale apparatuur de drie nullen van het nieuwe jaar niet aan kon. Ook meegevallen. Op de televisie zie je steeds vaker beelden van smeltende ijskappen, krimpende gletschers en verdorde oogsten. Dat zal wel, denken we, en we gaan naar een film kijken waarin heel New York door een geweldige vloedgolf wordt getroffen. Dat is andere koek! Special effects! Goed! Door de special effects hebben we onze verbeeldingskracht verloren. Voorspellingen lappen we aan onze laars. Alleen als er een kudde paarden dreigt te verdrinken denken we een beetje na. Wij zijn allen paarden.