We willen allemaal in het universum van Peter Pan leven

Arnon Grunberg ging op bezoek bij de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit, die opkomt voor de belangen van pedofielen.

Het kind is onze god. Aan hem zijn we bereid een offer te brengen en hij moet ons ook verlossen. Wie weinig heeft om zich op te laten voorstaan, kan zich er altijd nog op beroepen dat hij lief is geweest voor zijn kinderen of die van de buren. In de film Scarface weigert Al Pacino een auto op te blazen waarin twee kinderen zitten, terwijl hij verder weinig problemen heeft met moorden. Ik heb iemand horen zeggen dat Hitler erger was dan Stalin omdat hij ook kinderen had uitgeroeid. Het is logisch dat Elfriede Jelinek een libretto schreef waarin Don Juan kinderen verleidt. De hindernis voor de onverbeterlijke charmeur is niet meer de vrouw, hoe mooi en rijk ook, maar het kind. En zo is de pedofiel naast de islamitische terrorist uitgegroeid tot vertegenwoordiger van het absolute kwaad. Hij hoeft niet eens te worden vergeleken met een nazi, zijn slechtheid is evident. Wie in het kind een seksueel object ziet, plaatst zich buiten de maatschappij.

Men kan de kinderverleider zonder gewetensbezwaren ontmenselijken. Het voorstel om pederasten te castreren of te doden is in elke democratie populair. Nu is de ontmenselijking van de ander altijd een instructief proces. Maar de reacties die de pedofiel oproept zijn zo extreem dat het niet meer duidelijk is wie hier onbehagen veroorzaakt: de pedofiel zelf of de beschermers van het kind. Anders gezegd: wie wil hier zijn handen in onschuld wassen?

Dezelfde maatschappij die de pedofiel tot symbool van het absolute kwaad heeft verheven, heeft van de jeugd een fetisj gemaakt. Jong zijn is niet alleen iets wat je moet blijven, of opnieuw moet worden, het is de enige toestand die het woord ‘leven’ verdient. Van het geheel of vrijwel geheel verwijderen van het schaamhaar tot de normen voor het ideale gewicht: het prepuberale lichaam doet het vuur in ons ontbranden.

Als Ground Zero symbool is voor de paranoia die over ons kwam als een hedendaagse Mariaverschijning, dan is de inmiddels in onbruik geraakte boerderij van Michael Jackson, Neverland Ranch, symbool voor die andere Mariaverschijning: de angst dat de kinderlokker onder ons is. We willen allemaal in het universum van Peter Pan leven, maar in godsnaam geen seks, of wel, maar vanaf achttien, of was het zestien? Of eenentwintig? Of was het: alleen in Thailand?

Daarom zocht ik contact met de

onlangs opgerichte Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit. In de volksmond genaamd: de pedopartij. De partij die op 22 november niet zal meedoen aan de verkiezingen, te weinig handtekeningen werden opgehaald, maar die wel meer buitenlandse journalisten intrigeerde dan de VVD of D66. Het beest moet van dichtbij worden bestudeerd. Al was het maar om aan die gemeenplaats dat alles begrijpen alles vergeven is, een eind te maken.

Het partijbestuur van de PNVD was bereid mij voltallig te woord te staan. Mijn voorstel om samen handtekeningen te gaan verzamelen, of de ouders van bestuursleden te gaan opzoeken riep weinig enthousiasme op.

Eind september reisde ik af naar Leiden. In een wijk zoals er duizenden in Nederland moeten zijn, is het hoofdkwartier van de PNVD. Als ik uit mijn taxi stap gaan in een woning naast het hoofdkwartier de gordijntjes opzij. Ik kan het niet goed zien, maar ik vermoed een buurtbewoner die me aanstaart. Ik weet wat die buurtbewoner denkt: dat is er ook een.

Het hoofdkwartier is een keurige woning in een wijk voor de keurige middenklasse. In de vestibule staat een fiets die de toegang belemmert. Twee jongens zijn aan het stofzuigen. Het zijn Marthijn Uittenbogaard en Norbert de Jonge, respectievelijk voorzitter en secretaris van de partij. Vriendelijke jongens, een tikkeltje zijig wellicht, maar dat is in deze tijden een pre. Het hoofdkwartier is de woning van Marthijn.

Binnen op de bank zit de

penningmeester van de partij, Ad van den Berg, geen jongen, een man. Met enige fantasie kun je je voorstellen dat hij namens een vakbond arbeidsongeschikte havenarbeiders vertegenwoordigt.

Er is een boekenkastje met daarin veel Fortuyn, een vogelkooitje zonder vogel en een grote, houten Pinokkio, waar ik vooral niets achter moet zoeken, want dat heeft de BBC al gedaan. Het ruikt, al zal dat mijn verbeelding zijn, naar bordeel. Waarschijnlijk ruikt het in veel Nederlandse huizen naar bordeel: de combinatie van schoonmaakmiddel en royaal verspreid parfum omdat het bezoek zich bijtijds heeft aangemeld.

Marthijn en Norbert zitten rechts van mij op de bank. Ik zit op een stoel met mijn rug naar het raam, tegenover mij zit Ad.

„Hoe gaat het?” vraag ik na een stilte.

„Nou”, zegt Marthijn, „je bent net op tijd. Woensdag ging er een steen door de ruit en toen is Norbert hier meteen gekomen.”

Ik begrijp waarom men mij met mijn rug naar het raam heeft gezet. Ik ga de stenen opvangen. Ook dringt het tot me door waarom dat samen handtekeningen gaan verzamelen niet zo’n goed idee was.

„Deze week heeft extreem-rechts hier in de buurt folders uitgedeeld”, zegt Marthijn, „met mijn naam en alles. Maar een paar dagen later heeft de politie folders uitgedeeld dat ik nog nooit veroordeeld ben.”

Ik krijg een glas water.

„Dat was aardig van de politie”, zeg ik. „Ik denk niet dat zoiets vaak gebeurt.”

„Ja, dat is geloof ik niet eerder gebeurd”, zegt Norbert. „Maar het was op verzoek van de burgermeester.”

Marthijn draagt een witte broek, en een roze T-shirt met op de opdruk: surfers paradise. Ik kan me hem voorstellen als een zonderling op de pier van Santa Monica bij Los Angeles.

Ad neemt het woord. Hij vertelt dat hij in een ziekenhuis werkt en dat ze tegen hem hadden gezegd dat hij niet meer bij het kinderpaviljoen mocht komen. „Wat wij willen”, zegt Ad, „is eigenlijk niet veel anders dan wat de commissie Melai ooit voorstelde.”

De commissie Melai is

in 1970 ingesteld om de zedelijkheidswetgeving te herzien. Doel was onder andere om de overheid niet langer als een zedenmeester te laten functioneren. In 1970 had men de buik vol van de overheid als zedenmeester, men had van alle zedenmeesters de buik vol. Inmiddels delen de vijanden van de westerse samenleving, de islamitische terroristen, samen met veel beschermers van die samenleving een nostalgische hang naar de onbetwistbare zedenmeester.

„Pedofilie”, zegt Ad, „is seksuele aantrekkingskracht van een volwassene naar een minderjarige. En wat wij feitelijk willen is het kind meer vrijheid gunnen. Vroeger besteedde men er nauwelijks aandacht aan als een kind eens seksueel werd afgetrokken.”

Er worden zoutjes uit de keuken gehaald.

Norbert verklaart: „Homoseksualiteit is ook niet geaccepteerd. Ja, we hebben nu het homohuwelijk. De homobeweging is verburgerlijkt, dat is toch het einde van die beweging? De internationale beweging voor homo’s en lesbiennes heeft de pedofielen eruit gegooid, alleen maar in de hoop dat ze een officiële status bij de VN zouden krijgen.”

Over de homobeweging en de burgerlijkheid ervan wil ik het niet hebben.

„Wat doe jij eigenlijk voor werk, Marthijn”, vraag ik.

„Ik werk in de spoelkeuken van een verzorgingstehuis”, zegt hij eerder treurig dan verlegen. Vreselijk treurig eigenlijk.

En hoe ik ook mijn best doe hem recht in zijn gezicht aan te kijken, ik zie alleen die twee woorden: surfers paradise.

(wordt vervolgd)