Vriend in een onvriendelijke tijd

Paul Celan/ Peter Szondi: Briefwechsel. Bezorgd door Christoph König. Suhrkamp, 264 blz. € 20,50

Paul Celan: ‘Mikrolithen sind’s, Steinchen’. Die Prosa aus dem Nachlass. Suhrkamp, 948 blz. € 35,50

Paul Celan: Die Gedichte. Kommentierte Gesamtausgabe. Suhrkamp, 1000 blz. € 21,–

Als de omvang van de secundaire literatuur iets zegt over de rang van een schrijver, dan is Paul Celan ongetwijfeld een van de belangrijkste auteurs uit de literatuurgeschiedenis van de laatste halve eeuw. Neemt men echter de hoeveelheid lezers als maatstaf, en vooral hun vertrouwdheid met het werk, dan ziet het er voor Celan heel anders uit. In dat geval is hij feitelijk een schrijver die nog ontdekt moet worden. Of beter nog: die telkens opnieuw ontdekt moet worden.

Hiermee is meteen het grote dilemma rond Paul Celan (1920-1970) benoemd: niemand twijfelt aan het formidabele niveau van zijn werk, maar gelezen wordt zijn ontoegankelijke en vaak hermetische poëzie nauwelijks. Celan is vooral een dichter voor specialisten en academische vorsers. Momenteel zijn er drie verzamelde en becommentariëerde edities van zijn werk in omloop (meer dan van Kafka en Thomas Mann), en de hoeveelheid studies en interpretaties is amper nog te overzien. Lang niet alles wat over hem geschreven wordt is even waardevol; zo’n tien jaar geleden heeft George Steiner in een essay voor Times Literary Supplement zelfs de staf gebroken over de wereldwijde Celan-filologie: ‘Te veel van de secundaire literatuur is middelmatig of niet eens dat.’

De ideale Celan-lezer heeft kennis van filosofie, theologie, joodse mystiek en uiteraard literatuur; regelmatig refereert de dichter, die uit zes talen vertaalde, aan Mandelstam, Michaux en Ungaretti, aan Hölderlin, Heidegger, Trakl en vele andere grootheden. Maar ook enige vertrouwdheid met botanie, mineralogie en geologie kan geen kwaad. Nog meer raadsels bij het lezen van Celans gedichten ontstaan door zijn gewoonte om toevallige gebeurtenissen uit zijn privé-leven (ontmoetingen, reizen, krantenlectuur) verhuld weer te geven – waardoor zijn poëzie vaak een particulier karakter krijgt. Een goede biografie is feitelijk onmisbaar. De studie van de Amerikaan John Felstiner uit 1995 is inmiddels opgeklommen tot standaardwerk, Helmut Böttigers bijna gelijktijdig verschenen Orte Paul Celans is eveneens aanbevelenswaardig; de lezer die weinig tijd heeft kan terecht bij de uitstekende Rowohlt-monografie van Wolfgang Emmerich.

Tot de gerenommeerdste Celan-exegeten behoort Peter Szondi (1929-1971), de briljante essayist en literatuurwetenschapper die onder meer met zijn postuum verschenen Celan-Studien internationale faam verwierf. In 1959 hadden Szondi en Celan elkaar in Parijs leren kennen, en tot aan Celans dood in 1970 onderhielden ze een briefwisseling. Hun vriendschap berustte op enkele biografische overeenkomsten. Celan was afkomstig uit de Duitstalige joodse gemeenschap van Czernowitz aan de uiterste oostflank van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, een streek die tussen de wereldoorlogen aan Roemenië behoorde en die nu in de Oekraïne ligt. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord, wat Celans leven en werk grotendeels heeft bepaald. Szondi was opgegroeid in Boedapest binnen een grootburgerlijke joodse familie die eveneens Duits sprak; op het nippertje had hij met zijn ouders in 1944 naar Zwitserland kunnen uitwijken.

‘Wir wollen Freunde sein in dieser so wenig freundlichen Welt’, schrijft Szondi in een van de eerste brieven aan Celan. Hun onlangs verschenen correspondentie gaat over de ethische aspecten van het dichterschap na Auschwitz, over Celans depressies en over collega’s als Ingeborg Bachmann, Walter Jens, Hans Magnus Enzensberger en Günter Grass – de laatste was in zijn Parijse jaren bevriend met Celan. Af en toe komt expliciet het jodendom ter sprake, soms op uiterst navrante wijze. In 1961 schrijft Celan: ‘Zelfs door de „besten” wordt de jood [...] maar al te graag als subject opgeheven en tot object resp. ‘sujet’ geperverteerd. […] Het fatale is dat sommigen in alle ernst en misschien zelfs in alle eenvoud menen dat de „klauw” de hand kan vervangen.’

Celan ontwaarde overal antisemitisme, in de literaire milieus en daarbuiten, en zelfs het onbegrip waarop zijn poëzie stuitte herleidde hij vaak tot rassenhaat. Vooral na de beroemde ‘affaire Goll’ (de weduwe van de dichter Yvan Goll had hem van plagiaat beschuldigd) nam zijn wantrouwen extreme vormen aan. Szondi coördineerde vanuit Duitsland de verdediging van zijn vriend; zelf publiceerde hij in belangrijke kranten artikelen waarin hij de absurde verwijten weerlegde, collega’s riep hij op om hetzelfde te doen. Maar het tij was niet meer te keren. Celan wantrouwde vanaf nu zelfs de mensen die het voor hem opnamen (zoals Jens en Enzensberger), en uiteindelijk ontaardde zijn vervolgingswaan in hysterie. In 1965 probeerde hij zijn vrouw te vermoorden, steeds vaker en langer verbleef hij in psychiatrische inrichtingen. In 1970 pleegde hij zelfmoord door in de Seine te springen.

Van een normale correspondentie en het uitwisselen van ideeën is dan al lange tijd geen sprake meer. Het gaat in deze brieven bijna uitsluitend om de noden van Celan. Als Szondi ergens laat doorschemeren dat ook hij duistere periodes kent, reageert zijn briefpartner hier met geen woord op. Uiteindelijk zou ook Peter Szondi zelfmoord plegen, in 1971 in Berlijn.

Zo belangrijk en aangrijpend als deze brievenbundel is, zo oninteressant is feitelijk de band met nagelaten proza van Celan onder de titel Mikrolithen sind’s, Steinchen. Deze band van bijna duizend bladzijden is typisch voor de Celan-filologie: tweehonderd bladzijden zijn gewijd aan teksten van de auteur, de rest bestaat uit (deels zeer vermoeiend) commentaar. De fragmenten en ontwerpen maken maar al te begrijpelijk waarom Celan ze nooit heeft gepubliceerd. Een begenadigd verteller was hij bepaald niet, met het beschrijven van karakters en zelfs eenvoudige handelingen had hij aanzienlijke moeite. Zijn belangrijkste prozateksten – de poëticale rede ‘Der Meridian’ (1960) en de fictieve dialoog tussen twee joden ‘Gespräch im Gebirg’ (1959) – zijn al eerder in andere edities gepubliceerd.

Gelijktijdig met de nieuwe bundels verschijnt een goedkope paperbackeditie van Celans verzamelde gedichten. Anders dan in de twee jaar geleden verschenen Nederlandse editie van Ton Naaijkens zijn hier ook de postuum verschenen gedichten opgenomen. Deze uitgave kan ten zeerste worden aanbevolen, niet in de laatste plaats om het korte, zakelijke commentaar – een weldaad naast de meeste andere edities. Wie toch nog voor raadsels komt te staan moet zich houden aan een uitspraak van Celan tegen een liefhebber van zijn werk: ‘Leest u! Altijd maar lezen, het begrip komt vanzelf’.