Veel te jong begonnen

Dirigent Bernard Haitink viert dinsdag zijn vijftigjarig jubileum bij het Concertgebouw-orkest met een Gouden Galaconcert. Een gesprek over dirigeren, orkesten en klassieke muziek. „Ik voel altijd in mij de strijd tussen Bruckner en Mahler.”

‘Ik ben te kopschuw om te worden geconfronteerd met het verleden.” Bernard Haitink, die vijftig jaar geleden zijn debuut maakte bij het Concertgebouworkest, houdt er niet van om terug kijken. „Ik ben bepaald geen fan van mezelf. Luisteren naar eigen opnamen geeft me zelden plezier. Je krijgt allerlei associaties. Ik ben in Amsterdam veel te jong begonnen. En jong dirigent zijn is een ramp. Daar heb ik soms nog steeds last van. Dan denk ik: ‘wat heb ik toen een stommiteit uitgehaald’, En ‘waarom dit’ en ‘waarom dat’? Dat blijft je bij. Merkwaardig!”

Dat ‘merkwaardig’ zal vaak terugkeren in het gesprek met Haitink (77), die zich blijft verbazen en verwonderen over het verloop van zijn carrière, het internationale muziekleven en de muziek van grote componisten als Bruckner, Mahler en Sjostakovitsj.

Haitink heeft een merkwaardige relatie met zichzelf. Hij zegt bijvoorbeeld: „De laatste die u over mij moet vragen ben ik zelf.” Al heeft Haitink stellige opvattingen, hij heeft vooral twijfels, hij toont graag bescheidenheid, hij houdt van relativering. Haitink is ook een man van vaak snelle instinctieve emoties. Zo raakte hij vorige maand nog zó geïrriteerd door een boek over zijn relatie met Amsterdam – deze week verschenen onder de titel De klank als handschrift – dat hij zijn jubileumviering wilde afzeggen. Hij wil er nu ook niet meer over praten.

Haitinks impulsiviteit kan lastig zijn in functies met organisatorische verantwoordelijkheden. Die mijdt hij dan ook. Maar in de concertzaal is zijn gevoeligheid een zegen.

Dan maar even niet omzien en juist vooruitkijken, naar zijn Gouden Galaconcert dat hij dinsdag dirigeert bij het Concertgebouworkest. Haitink: „Ojee! Ik heb een hekel aan galaconcerten. Maar goed”, zucht hij, „we doen Mahler, Das Lied von der Erde en de Vierde symfonie. Als we vijftig jaar moeten ‘vieren’, dan wil ik het zó, in deze volgorde. Das Lied von der Erde eindigt met ‘Der Abschied’. Ik ga me daarmee niet vereenzelvigen aan het slot van het concert. Ik wil eindigen met de vreugde en de dank aan de muziek aan het eind van de Vierde: het lied ‘Das himmlische Leben’.”

‘Kein’ Musik ist ja nicht auf Erden, die uns’rer verglichen kann werden’ – de zinsnede in dat slotlied kan worden geduid als een saluut aan het gezamenlijke verleden van orkest en dirigent. Het begon op 7 november 1956 met een invalbeurt. De gedeelde historie duurt tot nu toe, ondanks de lange strubbelingen rond Haitinks vertrek in 1988. Een van de problemen was in welke officiële positie hij in de toekomst aan het orkest verbonden zou blijven. Haitink meed het orkest vijf jaar lang, maar nu treedt hij hier weer regelmatig op, sinds 1999 met de titel ‘eredirigent’.

We spraken elkaar een week

geleden in Londen, waar Haitink sinds 1967 deels ‘thuis’ is. Hij was chef van het London Philharmonic Orchestra, van de opera in Glyndebourne en van het Royal Opera House Covent Garden. Hij woont officieel in Luzern en heeft in Londen een pied à terre bij het chique Sloane Street met bakstenen huizen in neo-Amsterdamse grachtenstijl.

Haitink was net terug uit Chicago waar hij met luid bejubelde uitvoeringen van de Derde symfonie van Mahler was begonnen aan zijn nieuwe baan als ‘principal conductor’ van het Chicago Symphony Orchestra. Hij werd er in april benoemd, samen met Pierre Boulez (81) als ‘conductor emeritus’. „Samen zijn we nog geen 160 jaar! Ik was eerst voor vijf jaar gevraagd als opvolger van Daniel Barenboim, maar dat vond ik te lang op mijn leeftijd. Dus nu ben ik daar drie of vier jaar ‘eerste dirigent’ terwijl ze zoeken naar een ‘nieuwe music director’.’’ Tijdens een prettige lunch was waren de twee het snel eens. „Boulez doet elk seizoen vier weken, ik zes weken. Boulez heeft het aura van koel en zakelijk, maar hij is ongelooflijk charmant en geen prima donna. Als het kan, gaat hij naar repetities met de bus.”

Haitinks nieuwe functie in Chicago is de zoveelste verrassende wending in zijn carrière. Zijn debuut bij het Concertgebouworkest was klassiek beginnersgeluk. De beroemde Carlo Maria Giulini was ziek en werd vervangen door de 27-jarige Haitink, nog maar net dirigent in Hilversum bij de Nederlandse Radio Unie. Hij dirigeerde een barokconcert zoals het door een symfonieorkest niet meer wordt gespeeld: De vier jaargetijden van Vivaldi en het Requiem van Cherubini. Haitink had nog nauwelijks repertoire maar dat Requiem had hij vier maanden eerder al gedirigeerd toen hij in Den Haag de overleden Paul van Kempen verving. „Het Concertgebouworkest zei: ‘Laat die jongen dat dan ook maar hier doen’.”

In het Algemeen Handelsblad en in de Nieuwe Rotterdamsche Courant – toen nog niet gefuseerd – kreeg Haitink lovende recensies en werd hij getypeerd als ‘een geboren dirigent’. Het concert vond plaats tijdens de Hongaarse opstand en de Suezcrisis. De dramatische gebeurtenissen werden herdacht, het concert eindigde met een minuut stilte. Haitink: „Het was typerend voor mijn schuwe houding dat ik in mijn hart opgelucht was, dat er geen applaus zou zijn. Dat paste me. Een orkestlid zei in die tijd: ‘Die jongen weet helemaal niets, maar hij is wel een dirigent.’ Vijfendertig of veertig jaar later kwam ik hem weer tegen en ik zei: ‘Het is nog precies hetzelfde: ik ben nog steeds een dirigent maar ik weet nog helemaal niets.’ Ha, ha, ha! Merkwaardig!”

Haitink was aanvankelijk violist van het Radio Filharmonisch Orkest. Om te worden toegelaten tot een dirigentencursus, moest hij voor twee dirigenten proefdirigeren, vertelt hij. „De ene zei : ‘Hij is gek, een paljas.’ De andere zei: ‘Kan wel zijn, maar ik wil het toch met hem proberen.’ Toen bleek dat ik het had en ik geloof dat ik het nog steeds heb, wat het dan ook is. Dirigeertechniek, ik heb een hekel aan het woord, maar ik kan duidelijk maken wat ik wil, zonder veel te zeggen. Dan ben je in de wandelgangen een dirigent. Wat er dan nog bij komt, is een andere zaak, daar doe je dan vijftig jaar over.”

Hij wilde al vroeg dirigeren.

„Mijn vioolleraar zat in het Concertgebouworkest, ik hoorde zijn verhalen over dirigenten en als 9-of 10-jarige vind je dat interessant. Ik hield erg van muziek. Merkwaardigerwijs vonden ze het op school maar gek dat ik naar concerten ging. Ik heb zoveel dirigenten meegemaakt. Ik was in 1939 bij de Matthäus Passion van Willem Mengelberg, die nu op cd staat. Ik hoorde Eduard van Beinum, Erich Kleiber, Otto Klemperer, Victor de Sabata, Eugen Jochum, Wilhelm Furtwängler, Antal Dorati, Bruno Walter. Op een zondagmiddagconcert zei Walter na de Symfonie in g-klein van Mozart iets tegen de tweede violen. Ik vroeg later aan mijn leraar: ‘Wat zei hij?’ Hij zei: ‘Wieder nicht gelungen’. Het was Walter niet gelukt om zijn bedoelingen te realiseren.”

Na de plotselinge dood van Eduard van Beinum tijdens een repetitie in 1959 werd Haitink door het Concertgebouworkest voor enige tijd samen met de oudere Eugen Jochum tot chef benoemd. Van Beinum had veel Bruckner gedaan, Haitink deed de Mahlertraditie herleven. In 1976, halverwege zijn Amsterdamse chef-schap, zei Haitink in NRC Handelsblad: „Ik vind Mahler ook geweldig boeiend, maar zou het toch heel jammer vinden het graf in te gaan met het etiket Mahler-dirigent. Heel wat andere figuren zijn veel groter en voor mij veel belangrijker.” Haitink doelde vooral op Beethoven, die hij in Amsterdam verreweg het meest dirigeerde. Hij schiet in de lach als ik het voorlees.

„Beethoven was het afgelopen jaar terug in mijn leven. Het London Symphony Orchestra, dat 21 jaar geen Beethovencyclus had gespeeld, vroeg mij er een te dirigeren. Die is op cd gezet en we hebben die in New York herhaald met veel succes. Maar belangrijker was dat ik Beethoven opnieuw heb kunnen overdenken, ik heb de tempi herzien. Vroeger heb ik Beethoven helemaal niet goed gedaan. En later heb ik een middle of the road-Beethovencyclus gedirigeerd waaraan ik niet meer herinnerd wil worden.

„Het is terugkijken, maar ik heb me afgevraagd in hoeverre de tijd een stijl beïnvloedt. In mijn begintijd was er de Klemperertraditie, langzaam, ongelooflijk gewichtig, monumentaal. Ik heb ook veel naar zogenaamd authentieke uitvoeringen geluisterd. Ik noem geen naam, maar één dirigent van de Vijfde symfonie zou een jaar de gevangenis in moeten.”

Zelf vindt Haitink de Mahlercyclus die hij in Amsterdam opnam achteraf niet erg verstandig. „Ik kende veel van die stukken helemaal niet. Voorzover je van Mahler kunt houden, fascineert hij. Een groot componist, de emoties en dubbelzinnigheden liggen voor het grijpen. Ik voel altijd in mij de strijd tussen Bruckner en Mahler, de ene dag dit, de andere dag dat. Mijn muzikale leven is zonder Mahler niet meer denkbaar. Maar ik zal niet gauw thuis naar een Mahlersymfonie luisteren. Wel Bruckner, het begin van de Zevende symfonie of het ‘Adagio’ van de Achtste.

In Londen ontwikkelde Haitink zich ook tot een Sjostakovitsj-dirigent. „Merkwaardig is dat hij primitief is, maar met een enorme zeggingskracht, dubbelzinnig, hoogstpersoonlijk. Sjostakovitsj had twee helden: Mahler en Beethoven. Zou hij, zo vraag ik me af, in een minder strikte samenleving als de Sovjet-Unie, dezelfde zijn geweest? Waarschijnlijk niet. Ik vrees dat hij een talent had voor lijden, net als Mahler. Maar dat zijn onnodige bespiegelingen – af en toe in mijn vrije tijd.”

Haitink heeft zich ook ontwikkeld tot een belangrijk operadirigent, hij was onder andere tien jaar ‘music director’ van Covent Garden, een van de grote operahuizen ter wereld. „Aan opera in Amsterdam wil ik écht niet worden herinnerd. Covent Garden was een ontzettend moeilijke tijd met de sluiting wegens verbouwing, eindeloos gepraat en gezeur en een wankelmoedig bestuur. Maar muzikaal waren er momenten die ik niet graag had gemist. Dat is het merkwaardige van theater: valkuilen en missers, maar bij echt succes, is het driedubbel. Het merkwaardige, nee, het ironische, is dat ik bij na mijn vertrek uit Covent Garden geen opera meer wilde doen. Maar nu komen toch Parsifal in Zürich en in Covent Garden, en Pelléas et Mélisande in Parijs, in het Théâtre des Champs Elysées.”

Bernard Haitink heeft altijd een

moeilijke verhouding gehad met de ‘authentieke’ uitvoeringspraktijk. De Matthäus Passion heeft hij nog nooit gedirigeerd, die was in Amsterdam na Jochum voorbehouden aan Nikolaus Harnoncourt. Die maakte bij het Concertgebouworkest ook internationaal furore met een nieuwe Mozartstijl. In het orkest doet nog steeds een anekdote de ronde. Haitink sloeg eens af bij het begin van een repetitie en zei ‘Dames en heren, kunt u Mozart eens spelen zoals het niet moet?’

Haitink: „Harnoncourt heeft enorm belangrijk werk gedaan. Maar hij is een missionaris, met dwingende ogen die mensen weet te indoctrineren. Hij heeft wel een compromis gesloten met het grote symfonieorkest. Bij het Concertgebouworkest begon hij een nieuwe richting, weg van strenge authenticiteit. We moeten allemaal het recht hebben onze principes los te laten. Boulez riep op alle operatheaters in brand te steken. Later dirigeerde hij in Bayreuth.

„Voor dat calvinistisch dwingende, ‘het moet zó, het mág niet anders’, ben ik allergisch. Chailly mocht in Amsterdam ook maar één keer de Matthäus dirigeren. Ik ga nu voor het eerst een Matthäus Passion doen in Boston, in 2008, als ik het nog haal. Ik ben er al mee bezig: koor en orkest niet te groot, het mag niet te zwaar worden, niet te oppervlakkig zijn. In het openingskoor moet het werkelijk zo zijn, dat men het gevoel heeft van ‘helft mir klagen’. Ian Bostridge, die de evangelist is, neemt zijn eigen continuo mee. Het mag vooral geen suf oratoriumgevoel hebben, het moet heel dramatisch zijn.

„Wat zou een leven zonder muziek zijn? Ik verbaas me altijd dat er zoveel mensen zijn voor wie dat een gesloten boek is. Jammer! Ik mag het woord niet noemen, maar ik doe het toch. Klassieke muziek blijft een elitaire kunst, het is niet voor iedereen. Je moet ermee opgegroeid zijn. Maar ik kwam uit een niet-muzikaal nest en ging plotseling naar concerten. Waarom ben ik viool gaan spelen? Kwade tongen in de familie zeiden: ‘Je had een vriendje die met een vioolkist naar school ging, toen wou jij dat ook.’ Die viool is ook nooit een grote zaak geweest, maar het heeft wel geholpen. Waarom opeens? Dat weet je niet. Merkwaardig!”

Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink : 7 nov. 19.30 uur Radio 4; 23.10 uur Ned. 2.

Recensie biografie in Boeken, pagina 33