Van sluppen en slobbergaten

Jeanine Dekker en Katie Heyning (red.): De Zeeuwse streekdrachten. Stichting De Zeeuwse Streekdrachten, Waanders, 336 blz. € 49,95

In de mooie roman De verdronkene van Margriet de Moor speelt een stel oorijzers een cruciale rol. De spiraalvormige sieraden zijn voor een boerenvrouw die in Zeeland, tijdens de ramp van 1953, dreigt te verdrinken, het symbool voor het voortleven. Ze drukt ze vlak voor ze door het water wordt meegezogen, in handen van de hoofdpersoon, die het ook niet overleeft. Helemaal aan het eind van het verhaal – en decennia later – vinden we één van de oorijzers terug, verzonken in de vette klei. Alleen de lezer weet wat dit kan betekenen. De personen uit het verhaal herkennen het voorwerp niet en begrijpen ook de portee niet.

Oorijzers: Axelse vrouwen en meisjes droegen ze nog niet zo lang geleden als kronkelige hoorntjes boven het voorhoofd. Bij die van Walcheren zaten ze wat lager, als fonkelende haarspelden tegen hun hoge kuif aan. Op Zuid-Beveland hadden ze geen zilveren of gouden spiralen op het hoofd, maar schuin naar voren uitstekende vierkante plaatjes, glimmend als spiegels.

De Zeeuwse streekdracht, die net als veel andere drachten kort na 1900 door bevlogen folkloristen en erfgoedbeschermers nieuw leven werd ingeblazen, geldt als meest gevarieerde klederdracht van Nederland. De kostuums verschilden van dorp tot dorp en per beroepsgroep. De rouwdracht en de zondagse dracht verschilden weer van de dagelijkse dracht. Ook had elke generatie zijn eigen details. Je koos in je jeugd voor een op dat moment modieuze dracht en die bleef je je hele leven trouw.

Over dit rijke materiaal waren tot nu toe alleen deelstudies verschenen, zoals het boek van J. de Bree, Kostuum en sieraad in Zeeland, uit 1967. In al die oudere literatuur wordt de klederdracht vooral bekeken vanuit de traditie, als een in zichzelf besloten onderwerp.

Het nieuwe, monumentale boek De Zeeuwse streekdrachten geeft een nieuw standpunt. Wel degelijk worden aan de hand van vele foto’s en tekeningen de geheimen van ingewikkelde mutsen, keuzen en beukjes, sluppen en slobbergaten onthuld. Dit alles, dat inmiddels niet meer tot de ‘living history’ behoort, wordt nu eens niet geïsoleerd bekeken, maar in het licht van een zich steeds ontwikkelende maatschappij. De auteurs hebben telkens per 25 jaar de ontwikkelingen in de streekdracht getoetst aan die op het gebied van economie, landbouw, de voor Zeeland zo belangrijke godsdienst en niet te vergeten de burgermode. Dit wetenschappelijke uitgangspunt levert veel op. Je ziet bijvoorbeeld de invloed van het sectarisme op de kledingstijlen.

Een klein bezwaar van het boek is, dat iedere expert vanuit zijn eigen standpunt schrijft en het aan de lezer zelf wordt overgelaten om de grotere verbanden te leggen. Desalniettemin is De Zeeuwse streekdrachten een vernieuwende studie, die navolging verdient. Het aardige is bovendien dat de lezer, door al die mooie portretten en foto’s, geposeerd of niet, bijna als vanzelf ook emotioneel betrokken raakt bij het onderwerp. Walcherse meisjes die giechelend hun vlinderachtige kanten mutsen voor de regen beschermen door een deel van hun rokken op te tillen en erover heen te slaan. Ergens staan ernstig kijkende vrouwen omringd door Amerikanen achter een provisorische balie te wachten op uitdeling van kleding en huisraad. Dat was in 1945, nadat een groot deel van Walcheren bewust onder water was gezet. Aandoenlijk zijn ook de klassenfoto’s met lange rijen in identieke dracht geklede meisjes waartussen er dan eentje, een beetje zielig kaal, in burger zit. Ongetwijfeld het dochtertje van de burgemeester, de dokter of de dominee. Al zou ze willen, het zou zeer ongepast zijn als ze in hetzelfde gekleed zou gaan als haar vriendinnetjes.