Sorry voor de uitglijder

Gerhard Schröders agenda bepaalt nog altijd het beleid in Duitsland. In zijn snel geschreven memoires probeert hij het beeld van zijn regeerperiode zelf te controleren.

Gerhard Schröder: Entscheidungen. Mein Leben in der Politik. Hoffmann und Campe, 544 blz. € 25,–

De uitgever was recht door zee. Gerhard Schröder schreef memoires omdat hij zijn zeggenschap over de duiding van zijn politieke nalatenschap wil veiligstellen. Hij wil, aldus de uitgever, tijdens de boekpresentatie vorige week, de ‘Deutungshoheit’ behouden. Schröder zelf formuleert het braver: hij wil, zegt hij in het voorwoord, ‘een bijdrage leveren aan een objectieve beoordeling’ van zijn tijd als kanselier.

Schröders bijdrage aan de geschiedschrijving over Schröder is een vlotte samenvatting van zeven jaar Duitse politiek (1998-2005). Het relaas van een oud-kanselier die nog één keer uitlegt waarom hij tégen de oorlog in Irak was en vóór een ingrijpende sanering van de verzorgingsstaat. Het relaas van een sociaal-democraat die als geen ander kan omgaan met de media, maar die uiteindelijk ten val kwam omdat kiezers, partijgenoten en vakbonden zijn sociaal-economische hervormingen niet accepteerden. Het relaas ook van een man die niet goed voorbereid was op zijn taak.

Schröder heeft niet veel tijd uitgetrokken voor zijn terugblik. Amper een jaar. Een korte incubatietijd voor memoires. Hij heeft de herinneringen ook niet zelf geschreven. Schröder liet zich urenlang interviewen door zijn vroegere woordvoerder, de gesprekken werden vervolgens in elkaar geschoven tot een boek. De snelheid en de aanpak wreken zich. Soms leest Entscheidungen als een lange toespraak, op cruciale momenten ontbreekt introspectie. Zo blijft het een geheim wat Schröder dacht op 1 juli 2005, toen hij zichzelf in de Bondsdag liet wegstemmen om de weg voor verkiezingen vrij te maken. Het boek onthult ook geen geheimen, zelfs geen pikanterieën. Een jaar na vertrek weegt de geheimhoudingsplicht nog zwaar. Veel medestrijders en tegenstanders van Schröder zijn bovendien nog steeds in ambt.

Schröder blijft diplomatiek. Meestal. Zelfs voor zijn politieke vijand Oskar Lafontaine, voormalig strijdmakker in de SPD en tegenwoordig fractievoorzitter van SPD-concurrent Die Linke, vindt Schröder nog lovende woorden (‘groot talent’). Eigenlijk komen alleen een aantal vakbondsvoorzitters, CSU-voorzitter Edmund Stoiber en de Amerikaanse president George W. Bush er slecht vanaf. De vakbondsleiders waren niet uit op een ander beleid, maar op mijn val, schrijft Schröder. Edmund Stoiber bedankte – na lang aarzelen – voor de eer om zich te kandideren voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. Hij is bang en niets anders, oordeelt Schröder. En George Bush? De Amerikaanse president is ‘Godvrezend’ en daarom eigenlijk niet voor rede vatbaar.

Tegen het einde van het boek ontstaat de indruk dat de auteurs zich steeds meer moesten haasten. Personen worden twee keer geïntroduceerd, de chronologische vertelling verdringt de beschouwingen. Als Schröder dan ook nog twintig pagina’s uittrekt om politieke vrienden te lauweren, ontaarden de memoires van de staatsman even in de afscheidstoespraak van een filiaalhouder. Zowel voor de lezer als voor de kanselier ware het beter geweest als Schröder zich meer tijd had gegund.

Een columnist van Die Zeit schreef dat memoires eigenlijk niet binnen een jaar geschreven kunnen worden. Volgens hem had Schröder maar één motief om zo snel te zijn. Nú kan men zich hem nog herinneren, er is nog een markt voor zijn boek. Over een paar jaar niet meer. Zoveel dédain is misplaatst. Er zijn twee goede redenen om nog eens met Schröder terug te blikken. Hoe men ook over hem denkt, over zijn vriendschap met de Russische president Poetin bijvoorbeeld, Duitsland vóór Schröder was een ander land dan Duitsland na Schröder. Duitsland speelt een zelfbewustere rol in de internationale politiek en ten langen lesten heeft men ook de sociaal-economische problemen aangepakt. Schröder speelde daarin een belangrijke rol.

Bovendien is de SPD nog steeds aan de macht. In de grote coalitie van Angela Merkel bekleedt de SPD de helft van de ministersposten. Schröder is weg, maar zijn denkbeelden regeren nog steeds mee. Zijn kabinetschef, Frank-Walter Steinmeier, is nu minister van Buitenlandse Zaken. Schröders pleidooi voor nauwe banden tussen de EU en Rusland komt vrijwel letterlijk overeen met het voorstel van Steinmeier voor een nieuwe Ostpolitik.

Schröder legt in zijn boek regelmatig uit waarom hij op een bepaald moment een bepaald besluit nam. Entscheidungen leest daarom als zelfrechtvaardiging. Toch schuwt hij ook zelfkritiek niet. Hij geeft toe dat de eerste twee jaar van zijn eerste regering verloren gingen aan interne twisten en dat de tweede regering in 2002 veel goodwill verspeelde door regelmatig politiek broddelwerk af te leveren. Een slecht gepresenteerd bezuinigingsvoorstel bracht de halve natie op de been. Hij biedt zelfs zijn excuses aan voor de anti-Europese houding uit zijn begindagen, toen hij heeft geroepen dat de EU niet langer Duits geld mocht verbrassen. En hij gaat nog verder: SPD en Groenen wisten toen ze aan de macht kwamen niet wat ze te wachten stond.

Wij, linkse politici, stelt Schröder, waren eind jaren negentig niet op de toekomst voorbereid. We liepen weliswaar te hoop tegen de conservatief Helmut Kohl, maar we zagen de grote veranderingen in eigen land en de wereld niet. ‘We waren zo blind als hij [Kohl] ons hebben wilde.’

Ook links had zich comfortabel genesteld in het Duitsland dat vanuit Bonn werd geregeerd, een land dat welvarend was en dat terugdeinsde voor deelname aan internationale militaire operaties. De gevolgen van globalisering en vergrijzing werden anno 1998 niet onderkend, de hardnekkigheid van langdurige werkloosheid werd onderschat. ‘De werkelijkheid haalde ons sneller in dan ons lief was.’

Al tijdens de coalitieonderhandelingen keurden Schröder en zijn beoogd minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, deelname van Duitse troepen aan de oorlog in Kosovo goed. Later, na de aanslagen van 11 september 2001, volgde de zending van 3900 soldaten naar Afghanistan. Het waren moeilijke besluiten, die in de kleine slaapkamer op de achtste verdieping van de kanselarij tot slapeloze nachten leidden. Maar, schrijft Schröder, ‘ze maakten ons vrij om nee te zeggen tegen de oorlog in Irak.’

Schröders verzet tegen de Amerikaanse oorlog was zijn meest opzienbarende zet. Terugblikkend waren zijn argumenten niet slecht. Schröder laat die terugblik over aan een zelfkritisch Amerikaans hoofdcommentaar uit de New York Times en vermijdt zo een gelijkhebberige toon. Maar de voornaamste kritiek aan zijn adres – het Duitse ‘nee’ was voorbarig en luidruchtig en sloeg een bres in het internationale front tegen Saddam – vermeldt hij doodleuk niet.

Aan het begin van het nieuwe millennium was Duitsland ‘allergisch’ voor hervormingen. Schröder hervormde wel, maar zijn Agenda 2010 ondermijnde zijn machtspositie. Bonden, partijgenoten en kiezers hielde me tegen, zegt hij nu. Ik wilde wel, zij niet. De kritiek dat hij niet genoeg heeft gedaan om zijn beleid aan de man te brengen, veegt hij van tafel. Ik heb het wél uitgelegd, maar men wilde niet luisteren.