Leef!

‘Openbaringen’ is ....

Iedereen gaat dood, maar de meesten van ons moeten eerst oud worden – die gewaarwording knaagde met onverwacht venijn aan me tijdens de avond in de Amsterdamse Balie die gewijd was aan leven en werk van Frans Kellendonk (1954-1990). Ik was de dag ervoor uit de VS teruggevlogen en de jetlag hield me in een onthechte stemming, moe en alert tegelijk. De sprekers waren voor het merendeel collega-schrijvers van Kellendonk, sommigen van ons waren bevriend met hem geweest. We spraken met genegenheid over de ongrijpbare persoonlijkheid die hij was geweest en met bewondering over zijn ironische, weerbarstige oeuvre, dat zijn tijd vooruit was geweest en nu, bijna zeventien jaar na zijn dood, geen spat verouderd was. Er was ook bezorgdheid, want je komt tegenwoordig heel wat leesgrage studenten tegen die iedere letter van Michel Houellebecq verslinden, maar nog nooit van Kellendonk hebben gehoord. Zijn verzamelde romans waren herdrukt in één band, dat was de aanleiding voor de avond, maar die zag er net zo ongemakkelijk en afstandelijk uit als de schrijver zelf kon zijn. Ik betwijfelde of een nieuwe lichting lezers daar voor zou vallen.

Hoe houd je een schrijver levend? Terwijl ik me dat afvroeg, wachtend op mijn spreekbeurt, keek ik naar de foto’s van Kellendonk die achter de sprekers op een scherm werden geprojecteerd. Het verraste me opnieuw hoe mooi hij was geweest, hoe zijn gezicht straalde, wat een contrast vormde met de stugge ongenaakbaarheid waarmee hij zich meestal in het sociale verkeer bewoog. Ook dat was te zien, want afgezien van dat stralende gezicht stond hij op de meeste foto’s toch behoorlijk ongemakkelijk te wezen. Er was één onkarakteristiek grappige bij: op die foto omarmt Kellendonk een enorme stenen pilaar, terwijl hij lachend naar de camera kijkt. Hij grijpt de zuil vast alsof hij hem knuffelt, een beetje ironisch, zoals volwassenen in Disneyland een levensgrote Goofy of Baloo omhelzen.

Bij mij veroorzaakte die foto een kleine schok, want ik realiseerde me dat ik hem gemaakt moest hebben. Die zuil stond op een hoge omgang van de toren van Pisa, en die toren had ik tijdens een vakantie met gezamenlijke vrienden in de jaren tachtig samen met hem beklommen. Ik was toen nog niet bevriend met hem. Ik was een flink aantal jaren jonger dan hij, nauwelijks afgestudeerd, nauwelijks begonnen met schrijven. Ik keek tegen hem op. Ik was ook een beetje verliefd op hem, wat ik mezelf niet wilde toegeven.

Onze beklimming van de toren was uitgelaten, ik herinner me een giechelig soort intimiteit, allebei hadden we hoogtevrees. De hellende omgang had toen nog geen hekken, er sprongen regelmatig mensen van de toren. Dat Frans helemaal boven een pilaar omhelsd had, herinnerde ik me niet meer, wel dat ik op een gegeven moment overmoedig aankondigde een levensgevaarlijk rondje om de toren te lopen – en dat hij me niet volgde. Later schreef ik mijn eerste korte verhaal, over een jong echtpaar dat de toren van Pisa beklimt; de vrouw wil haar liefde voor de man bevestigen door haar hoogtevrees te overwinnen en samen met hem een rondje over de omgang te lopen – als hij haar niet volgt, ontdekt ze dat hij niet genoeg van haar houdt.

De organisatoren hadden me gevraagd iets te zeggen over de verwantschap tussen Kellendonk en Henry James, een van de schrijvers die hij hoog had zitten en ook vertaalde. Met James, nog zo’n schrijver die mensen liever bewonderen dan lezen, deelde Kellendonk een groots thema: dat je om te kunnen leven je verbeeldingskracht nodig hebt, dat je je voorstellingen moet maken van de wereld om je heen, anders blijft alles rommel en chaos. Maar je kunt zelf ook opgesloten raken in die voorstellingen, je eigen verbeelding kan ook een gevangenis worden, die je verhindert werkelijk deel te nemen aan het leven, die echt contact met anderen uitsluit. Dat thema, de spanning tussen verbeelding en werkelijkheid, wordt vaak als intellectualistisch en cerebraal weggezet, maar het bepaalt ons leven – er bestaat een permanente spanning tussen wat zich in je hoofd afspeelt en daarbuiten, de dingen zoals je ze ervaart en de dingen zoals ze blijken te zijn. Dat leerde ik op de omgang van de toren van Pisa.

Een van de boeken die Kellendonk nog graag vertaald zou hebben, was The Ambassadors (1903) van James. In die roman, geschreven in James’ notoir gecompliceerde late stijl, drijft de schrijver zijn thema op de spits: het is de intelligente observator, de Amerikaan Lambert Strether, die alles door heeft, maar nergens aan deelneemt. Hij wordt door een bezorgde moeder op een missie naar Europa gestuurd om haar zoon te redden uit het decadente Parijs, maar zijn voorstellingen kloppen niet; hij is het zelf die gered moet worden. Tegen een jonge student die nog een heel leven voor zich heeft, spreekt hij zijn nieuwe credo uit: ‘Live all you can; it’s a mistake not to. It doesn’t so much matter what you do in particular, so long as you have your life.’ Voor hem zelf, zegt Strether, is het te laat. Hij vergelijkt het met missen van een trein. Eerst had hij niet in de gaten dat die trein op hem stond te wachten. Nu hoort hij hoe de stoomfluit zich steeds verder van hem verwijdert. Hij kan hem nooit meer inhalen. ‘What one loses one loses; make no mistake about that.’ Zijn uitbarsting tegen de student eindigt in een uitroep, even aanmoedigend als wanhopig: ‘Live!’

Leven – hoe doe je dat? Strether zelf is een en al reflectie en zelfbewustzijn, vandaar zijn verlangen naar de spontaniteit en onverantwoordelijkheid van de jonge mensen die hij in Parijs ontmoet. Maar misschien is zijn wanhoop niet te vermijden; er zullen weinig mensen zijn die niet af en toe het gevoel hebben dat ze iets gemist hebben, of kwijtgeraakt zijn, die niet in de verte een stoomfluit horen, steeds verder weg. Heb je goed gekozen, heb je eruit gehaald wat er inzat? Is het leven je niet ontglipt, terwijl je dacht het stevig te omarmen? Het is de vloek van het bewustzijn.

Live!

Terwijl ik mijn praatje over Kellendonk en James hield, slecht geconcentreerd door de jetlag, dacht ik eigenlijk aan de jongen die de foto nam op de toren van Pisa. Dat moment op de toren leek een belofte; het bleek een les te zijn. In de jaren erna schreef Kellendonk Mystiek lichaam, een van de schrijnendste romans van de Nederlandse literatuur, hij werd ziek en stierf een tergend langzame dood. Toen pas, in zijn laatste jaar, werd hij ook een vriend.

Hoe verhoudt die foto, dat moment, zich tot wat daarna kwam? Het was moeilijk om mezelf nu ineens niet een beetje Lambert Strether te voelen, om de jongen die de foto nam op de toren niet wanhopig aan te sporen: Live all you can. Zijn heftigheid, zijn grote gevoel over alles, zijn onvoorwaardelijke, roekeloze hartstocht – het was herinnering geworden, het bevond zich allemaal in een trein die zich steeds verder van me verwijderde, ik kon de stoomfluit horen. ‘What one loses one loses; make no mistake about that.’ Toch bleef de wanhoop uit, de verschrikkelijke spijt van Strether. De jongen op de toren was zijn verwachtingen kwijtgeraakt, maar hij had er ervaringen voor teruggekregen. Blijkbaar had ik toch mijn trein gehaald.