Kunnen paarden gillen?

Lang geleden brachten mijn ouders me naar een boerengezin in Drenthe, dat als bijverdienste ponykampen organiseerde. Vader en moeder zorgden voor witte boterhammen met hagelslag en tomatensoep, de potige, negentienjarige dochter des huizes gaf les. Tijdens tochten door de omgeving reed zij voorop, op haar koninklijke zwarte paard. Jaloers draafde ik op een morsig pony’tje achter haar aan. Zij had dus wél een eigen paard. En wat voor een.

Op de laatste dag was ik in de slaapzaal bezig mijn tas in te pakken, toen het misging. In mijn herinnering hoor ik een paard gillen, maar misschien heb ik dat er later bij verzonnen. Misschien kunnen paarden helemaal niet gillen.

Toen ik me naar beneden waagde, was het stil geworden. Het zwarte paard van de dochter lag op de keien van de binnenplaats en ademde zwaar. Paniek stond in zijn ogen.

De veearts kwam, maar kon niks meer voor het dier doen. Het was uitgegleden, had een been verbrijzeld en zijn ruggegraat ontwricht. Als het de ochtend zou halen, moest het worden afgemaakt.

’s Nachts kon ik niet slapen en sloop ik naar de binnenplaats. De dochter zat op een strobaal naast het paard. Aan haar voeten een olielamp. Af en toe fluisterde ze iets in het grote, zachte oor. Ik wilde haar troosten, maar wist niet hoe. De ouders zaten er ook, te moe en te murw om me weg te sturen. We keken naar de ogen van het dier, die langzaam open en dicht gingen en naar de damp die van zijn lichaam sloeg.

Een paar uur later werd ik gewekt door het gekreun van een hijskraan. Doder dan dood zwiepte het karkas een paar seconden door de lucht en werd toen onzachtzinnig in een laadbak gedeponeerd.

„Een dood beest hoort niet op het erf”, mompelde de boer, toen de vrachtwagen in de verte was verdwenen.

’s Middags kwamen mijn ouders me halen, bruin van de Portugese zon. Ik huilde de hele weg terug naar huis. Het verhaal over de olielamp en de hijskraan kreeg ik niet over mijn lippen. Zes weken later ging ik op tennis.