Koning Abdullah twintig maal op Schiphol

De publieke omroep in Nederland heeft twintig verenigingen, drie netten en honderden miljoen euro’s per jaar nodig om z’n tot in het oneindige gedifferentieerde boodschap naar alle hoeken van alle nationale huiskamers te verzenden.

‘Waar in Europa’, hoor je Kamerleden van CDA en Partij van de Arbeid wel eens retorisch vragen, ‘vind je een radio- en televisiebestel dat al z’n inwoners op het terrein van zowel de verstrooiing, de informatie, de sport en de muziek als van Gods woord, op ieders religieuze, politieke en geestesbeschouwelijke wenken bedient?’

Ik zou het inderdaad niet weten.

Soms roept iemand er iets doorheen dat eigenlijk geen pas geeft. Hij roept: ‘Waar ter wereld worden twintig filmploegen, elk bestaande uit minstens drie werknemers (camera, geluid en regisseur), dus samen goed voor zestig man duurbetaald omroeppersoneel, naar Schiphol gestuurd voor één Jordaans koningspaar?’

Nou, dan is de boot aan.

Zo iemand ontkent dat een gereformeerde boer op Tholen recht heeft op een andere duiding van koning Abdullah, dus op een andere camera-uitsnede, dan een oude Groningse strokartonwerker die nog voor Fré Meis heeft gefolderd, of een roomse bakvis uit Limburg die voor het eerst mag stemmen en thuis verzwijgt dat ze voor Jan Marijnissen kiest. Zo iemand minacht in feite de pluriforme meningsvorming.

Pluriformiteit! Dat is het lievelingsbegrip van elke socioloog en elke politicus die zich, liefst met grote bekommernis, in de brede maatschappelijke discussie mengt over samenleving en informatieverkeer.

‘Democratie heeft kranten nodig’, zag ik van de week ergens boven een opinieartikel van de aanstormende sociaal-democratische parlementarier Martijn van Dam staan. Hij maakte zich zorgen over de overlevingskansen van de ‘kwaliteitspers’ – een andere lievelingswoord.

Martijn bedoelde natuurlijk dat de democratie veel kranten nodig heeft. Met vijf ben je in Nederland volgens hem tien maal zo weinig pluriform, en vanzelfsprekend ook tien maal zo weinig democratisch, als met vijftig.

Of toch niet?

Ik wil het niet tegenspreken, want het is zo’n mooie illusie. Maar we zijn als ik het goed heb nog altijd een land van overwegend abonnees. En abonnees zijn zoals bekend mensen die hun hele leven De Telegraaf in de bus krijgen, en nooit te weten zullen komen wat al die tijd de mening van NRC Handelsblad is geweest. Erger nog misschien: ze hebben daar ook nooit naar getaald.

Maar goed, we spreken af: de democratie staat of valt met veel kranten. Uiteraard allemaal verschillend: van opmaak van nieuwsselectie, van toon en van commentaar, anders verschraalt de pluriformiteit.

Wat voor kranten geldt, geldt des te meer voor televisie. Véél televisie – vandaar die twintig verenigingen, die drie netten, en die honderden miljoenen per jaar. Het lijkt soms ingewikkeld, het kost misschien zestig werkkrachten waar het ook met drie had gekund – maar: wáár in Europa vindt een mens zoveel pluriformiteit als in Nederland? Vragen ze zich dikwijls retorisch af.

Afgelopen dinsdagavond zijn tijdens een fractievergadering van de VVD zogenaamd ‘harde woorden’ gevallen over de campagnestrategie van leider Mark Rutte, die in het geweld tussen Bos en Balkenende steeds verder zou verbleken tot de enigszins bekakte, maar altijd sympathieke secretaris van de Leidse bridgevereniging Sans Atout.

De hele woensdag bleef onduidelijk of het menens was, dan wel een liberale verkiezingsgrap. Maar alle Journaalafleveringen stonden er roodgloeiend van. En alle actualiteitenrubrieken (van dus alle religieuze, politieke en levensbeschouwelijke geledingen) waren er – twintig maal een ploeg van tenminste drie man – op uit getrokken. Om met wat terug te komen?

Met twintig maal hetzelfde. Je kunt rustig zeggen dat in het aan de Nederlandse politiek gewijde onderwerp de Jordaanse koning Abdullah twintig maal dezelfde vliegtuigtrap af kwam.

De publieke omroep is de doodsvijand van de pluriformiteit.