Klifhanger 11 Katja's dagboek

Wat voorafging: Tjalling en Katja zijn op reis om hun vriend Sebastiaan te redden. Hij is ontvoerd bij de poort van een plastic ridderkasteel in de speelgoedkelder van een warenhuis. Katja en Tjalling kruipen ook door die poort...

We vielen. We vielen, we vielen en we vielen verder… De lucht suisde langs mijn oren. Alles was weg of onderweg: de wereld, de werkelijkheid, wat ik dacht… Alleen Tjalling was er nog: hij hield mijn pols vast. Ineens was er licht, fel licht om me heen. Ik landde bovenop iets zachts. „Oemp”, zei Tjalling. „Sorry”, zei ik. Moeizaam kroop ik van hem af. Mijn hoofd bonkte, mijn elleboog was geschaafd.

„Waar zijn we?” vroeg ik.

„Op een soort grasberg, geloof ik”, antwoordde Tjalling. „Gaat het?”

„Mwoh, ja”, zei ik. „Wat ruikt het hier vreemd… Naar schoonmaakmiddel of zo.” Ik zette mijn handen naast me in het gras en wou opstaan. Maar het was geen gras dat ik voelde, het was een soort plastic, buigzaam en glad. Tjalling streek ook over de sprietjes. Bijna meteen trok hij zijn hand terug. „Ik, ik”, zei hij, „ik kreeg een soort schok!”

We waren in een vreemde wereld terecht gekomen. Boven ons hoofd leek de lucht wel een zwembad-op-zijn-kop: blikkerend blauw, doorkruist met zwarte lijnen... Er zat een grote zwarte cirkel middenin het blauw. „Daar zijn we uit komen vallen, daarnet”, zei ik. „Het lijkt wel een afvoerpijp.”

„O ja”, zei Tjalling vaag, „ik dacht net: wat een rare zon.”

Wat moesten we nu doen? Van Sebastiaan was geen spoor te bekennen. Tjalling begon zijn bril te poetsen met een stukje van zijn trui, aandachtig, alsof de bril een speciaal vriendje van hem was. Gek genoeg voelde ik een steekje van jaloezie toen ik daarnaar keek.

„Hé”, zei hij toen de bril weer op zijn neus stond. „Er komt iemand aan!”

In de verte liep inderdaad een man, een lange man op hoge benen. Hij grijnsde en zwaaide naar ons. Was het misschien een acteur van de tv of zo? Waren we in een filmstudio beland? Hij kwam me bekend voor… We krabbelden overeind. Toen hij pal voor ons stond en mij aankeek, kon ik niet meer verder denken. Wat een groene ogen. Ze leken wel van glas.

„Hai daar”, zei hij. „Who are you?”

„Hoe aar joe?” zei Tjalling. „Wat bedoelt hij, Kat?”

„Sst”, zei ik. „Wij zijn… verdwaald, meneer. Mister. Weet u soms een uitgang?”

De man streek over zijn kin, waar een deukje in zat. „Een uitgang… Die ís er wel, geloof ik. Ik heb daar nooit zo over na gedacht. Maar ik kan het mijn vriendin vragen. Lopen jullie mee?”

Ik pakte mijn tas en Tjalling zijn rugzak. We liepen achter de man aan de heuvel over. Aan de andere kant, een eind naar omlaag, lag een huis, een lage roze bungalow met een zwembad ernaast. Het zwembad had de vorm van een hart. „Daar”, wees de man, „daar woont mijn lieve vriendin!”

(wordt vervolgd)