‘Heb ik dat geschreven?’

Louis Lehmann gaat al zo lang mee als literator dat hij zelfs Menno ter Braak nog heeft gesproken. Er waren lange periodes van stilte. Maar deze week verschijnt een nieuwe bundel.

Dichter L.Th. Lehmann: ‘Vestdijk had de pest aan me!’ Foto Leo van Velzen Amsterdam, 01-11-06. Louis Th. Lehmann. Dichter, scheepsarcheoloog, prozaist, essayist en surrealist. Foto Leo Th. van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Vooraf kijk ik in de gracht of ik een gedicht zie. Er zwemmen eenden rond. Een paar koeten peddelen op hun gemak. Maar er is geen ‘Grachtslag’ gaande, zoals Louis Lehmann hem optekende, in zijn bundel Toeschouw uit 2003. In zijn deze week verschenen bundel Wat boven kwam schrijft Lehmann opnieuw over de eenden voor zijn deur. Het openingsgedicht definieert Lehmann dan ook: ‘Van mij kan men zeggen / dat ik mij verlies / in kleinigheden. / Maar ook dat ik mij erin vind.’

„Zo is het”, bast hij als ik hem ernaar vraag. „Er zijn zaken die mensen van veel belang hechten, waar ik niet aan hecht, en er zijn zaken die men kleinigheden noemt, waar ik mij zeer mee vermaak.”

Zijn scherpe blik voor ‘bijzaken’ en zijn sterk beeldende vermogen tillen zijn gedichten op boven de alledaagse notities die ze soms lijken. Lehmanns losse toon is verraderlijk. In een gedicht over een autorit door de mist vanuit Harlingen wordt de Afsluitdijk ‘stok die de kaken/ van de Zuiderzee geopend houdt’. Het autolicht schijnt niet zelf, nee: ‘Koplampen duwden wazige bundels van licht voort’. Dat zijn metaforen die je niet snel vergeet. Zo doet een goede dichter dat, zelfs al is hij zoals Lehmann net 86 geworden.

Levende literatuurgeschiedenis is Lehmann, die in 1940 debuteerde, als twintigjarige. Aan zo iemand kun je nog vragen wat Menno ter Braak voor een man was. „Wel vriendelijk, afstandelijk, ik heb hem maar een paar keer ontmoet”, antwoordt hij, om meteen te vervolgen met: „Vestdijk had de pest aan me!”

Dat klinkt verwonderlijk. Vestdijk lanceerde de jonge Lehmann als nieuwe ster, door zijn debuut als het werk van een ‘wonderkind’ te onthalen. „Vestdijk schreef een hatelijk gedicht over mij”, houdt Lehmann vol. Maar Lehmanns partner, Alida Beekhuis, kan het uitleggen. Zij is bij het gesprek aanwezig omdat het geheugen van Lehmann hem steeds vaker in de steek laat. „Dat was nadat jij een spottend gedichtje over hem had geschreven”, zegt ze. „O ja”, zegt Lehmann, „maar dat was helemaal niet kwaad bedoeld!”

Potige kerel

Lichamelijk is Lehmann in orde, afgezien van wat reumatische ongemakken. In de oude man is nog de potige kerel zichtbaar, die in de jaren zestig op een feestje de veel jongere schilder Willem van Malsen met één klap tegen de straatstenen sloeg. Zijn ogen mogen soms dichtzakken, hij spreekt zijn welgevormde zinnen nog met onaangetast deftige, bijna plechtige dictie. Maar geregeld bekent hij: „Ik weet het niet meer”. Of hij antwoordt niet, en begint aan een anekdote die hem invalt. Bij vragen over dichtregels zegt hij: „Heb ik dat geschreven?” – zelfs als het over zijn nieuwe bundel gaat. Dan leest hij zijn eigen gedicht even snel, en lacht dan instemmend om de gekkigheid en ironie waar zijn werk vol mee zit.

In wezen is er weinig veranderd. Veertig jaar geleden moesten zijn interviewers Bernlef en K. Schippers hem ook al eerst zijn eigen gedicht laten lezen, omdat hij zijn werk nooit teruglas. Hij geneerde zich ervoor. Dat typeert de ambivalente houding van Lehmann ten opzichte van het dichterschap. Hij had een ontzettende hekel aan schrijven, zei hij in 1964: „Ik zou er zo graag mee ophouden.”

Na de bundel Luxe (1966) leek hij ook echt gestopt te zijn, dertig jaar lang. Pas in 1996, een jaar na zijn promotie als zeearcheoloog (op zijn 75ste), verscheen er weer een bundel. Maar, zegt Beekhuis, Louis schreef wel degelijk veel, maar publiceerde dat alleen niet.

Nu is er de derde bundel in tien jaar. Is het plezier terug? „Het plezier niet. Maar als ik een idee heb vind ik het zonde om het niet op te schrijven. Het gaat vanzelf.” Maar een idee is nog geen gedicht. „Nee, ik moet het ordenen. Dat is een klein talentje van me. Dat onderhoud ik wel.”

In een bizar gedicht als ‘Zilla en Kornochel’ – over een vrouw die roem en rijkdom vergaart met haar krokodillenact – heeft hij beslist lol. Het gedicht bevat een karakteristiek narrig Lehmann-rijm: ‘Glamour / haal je beslist niet uit een emmer.’ Lehmann: „Het is een schertsgedicht. Als ik dat maak, zit ik wel te lachen.”

Indertijd voelde Lehmann zich in de hoek gedrukt van de dichter die van het schrijven moest kunnen leven. Hij klaagde dat hij werkloos was en bij sollicitatiegesprekken hoorde: „Maar u bent toch schrijver.” Voor het geld, met forse tegenzin, schreef hij recensies en vertaalde proza en toneel. „Schrijven is geen vak”, vindt hij. In zijn vorige bundel schreef hij: ‘Poëzie scheert langs alles/ wat mensen aangaat/ en raakt niets.’ „Ja, dat is heel cru. W.H. Auden schreef: ‘For poetry makes nothing happen’, in een rouwgedicht over W.B. Yeats. Dat bedoel ik ook.”

Ademen

Als jongen wilde hij schilder worden. Totdat hij zich op zijn achttiende afvroeg wat hij wilde schilderen en het niet wist. Later heeft hij veel gecomponeerd. „Muziek en dans zijn mijn grote liefdes.” Met literatuur is het anders. „Lezen gaat als ademen. Als men een boek voor zich heeft, dan leest men.”

Een constante in Lehmanns veelkantige oeuvre zijn nonsensicale gedichten. Zo staat in Toeschouw een gedicht bestaande uit vierregelige onzinversjes op vrouwen, getiteld ‘A dream of fair women in clerihews’. Ze gaan zo: ‘Virginia Eupt / zong jeupt, jeupt, jeupt, jeupt. / Dat was, zei zij, / wat de nachtegaal zei.’ ‘A dream of fair women’ is een gedicht van Tennyson, maar de versvorm clerihew is in Nederland minder bekend. Zoals steeds geef ik Lehmann mijn exemplaar om het gedicht te lezen en hij legt uit: „De clerihew is voor wie de limerick te moeilijk is.” En voor ik mijn bundel kan terug nemen, zwiept hij hem door de kamer naar me toe. Ik zeg dat hij gerust met mijn boeken mag gooien, waarop hij vertelt: „Ik heb ooit een stukje willen schrijven over het op de juiste wijze gooien van boeken. Geef hem nog eens.” Hij neemt mijn bundel opnieuw aan. „Het moet zo, met de rug van het boek naar de ander toe, hand over de rug en dan naar buiten draaiend een vlakke worp.” En weer zwiept hij de bundel als een discus door de kamer.

Met satanisch plezier wijdt Lehmann zich ook aan het hekeldicht. Vooral architecten moeten het ontgelden. In Toeschouw wordt hun vernieuwingsdrang vergeleken met die van de Taliban. In zijn nieuwe bundel neemt hij ook ouders op de korrel. Het gedicht ‘Baby’ becommentarieert de wens tot voortplanting. Kinderen worden geschapen als ‘speelgoedbeest’ en later maken ze uit wraak zelf kinderen. „Het machtsvertoon dat ouders menen tentoon te moeten spreiden, vind ik maar niks”, zegt Lehmann. „Omdat de baby’s de zwakkeren zijn.” Zijn ouders kwellers, ‘tortureerders’ in het gedicht? „Soms wel ja.”

Een ander gedicht luidt: ‘Tegen de regels / van het correcte voelen / mis ik mijn vooroorlogse speelgoed / meer dan mijn dode ouders.’ „Ik had prachtige treinen, met veel rails. Ik heb nooit een elektrische gehad, die kwamen toen net op, altijd opwindtreinen.” Het gedicht is niet baldadig bedoeld. Hij noemt het beschreven gevoel ‘raadselachtig’. „Mijn vader was zeeman. Die was meestal weg. Er waren veel echtelijke ruzies. Dat was heel naar. Het heeft mij ook angst voor de maatschappij gegeven.” Zoals hij in ‘Baby’ schrijft: ‘Eigen angst wordt nooit geheel vergeten / en wat er boven komt is lust tot wraak.’

Beekhuis: „Voor zover ik het begrepen heb, ging een deel van de ruzies over Louis. Zijn moeder vond het prachtig dat hij thuis was, en las en literair sprak. Maar als zijn vader thuis kwam, wilde hij een flinke jongen van Louis maken.”

Voelde Lehmann zich beter thuis in de literaire wereld? „Er is geen literaire wereld”, zegt hij met stemverheffing. „Men woont niet in de literatuur. Men kent enige schrijvers, maar dat vormt geen wereld. Terwijl je als kind ten prooi aan je ouders bent.” Beekhuis: „Het kan best zijn dat zijn ambivalente houding tegenover schrijven voortkomt uit de tweespalt tussen zijn ouders.” Lehmann zucht licht, alsof hij er niet aan wil: „Ja.”

Dichters schrijven over de dood. Bij oude dichters, komt dat hoe dan ook beklemmender over. Lehmann danst ogenschijnlijk vrolijk om het onderwerp heen in het gedichtje ‘Dood’: ‘Als ik voor het laatst / in slaap zal vallen, / hoop ik dat ik net / zal denken aan iets anders.” Dat suggereert niet, zegt hij, dat de dood hem eigenlijk continu door het hoofd speelt. „Ik denk niet zoveel aan de dood, maar het is een omnipresente mogelijkheid. Ik heb een reddende, tijdelijke vergeetkracht, zoals de meeste mensen.”

L. Th. Lehmann: Wat boven kwam. De Bezige Bij, 64 blz. € 15,–