Had u niet hetzelfde gedaan?

Frankrijk is in de ban van de verpletterende oorlogsroman ‘Les bienveillantes’. Die druist in tegen haast alle Franse literaire tradities. Maar is het ook literatuur?

Jonathan Littell: Les bienveillantes. Gallimard. 907 blz. € 25. De vertaling komt in 2006 uit bij De Arbeiderspers.

Een pil van ruim 900 dichtbedrukte bladzijden en met een gewicht van meer dan een kilo beheerst dit jaar volledig de rentrée, de opening van het Franse boekenseizoen. Les bienveillantes is de in het Frans geschreven debuutroman van een 39-jarige Amerikaan waarvan in de eerste maand na verschijnen al rond de 150.000 exemplaren werden verkocht. De auteur kon een half miljoen euro op zijn bankrekening bijschrijven. Dit was nog voordat de rechten wereldwijd aan buitenlandse uitgeverijen werden verkocht en voor de uitreiking van de grote Franse literaire prijzen, waarvan hij inmiddels de Grand Prix de l’Académie française al in de wacht heeft gesleept. Volgens velen kan ook de Prix Goncourt, waarvan de winnaar aanstaande maandag bekend wordt gemaakt, hem nauwelijks meer ontgaan.

Inderdaad is Les bienveillantes ((‘De welwillenden’) een verpletterend boek, en niet alleen in omvang en gewicht. De verteller, Dr Maximilian Aue, is een oud-nazi die zeer gedetailleerd weergeeft hoe zijn leven eruit zag tussen 1941 en 1944, aan het Oostfront, in Rusland, Polen, later in Parijs en Berlijn. ‘Mensenbroeders, laat me u vertellen hoe het allemaal is gebeurd’, luidt de eerste zin van zijn inleiding. Degenen die zich meteen van hem afkeren, houdt hij erbij: ‘U zult zien dat het ook u aangaat’. Niets heeft meer waarde voor de man die ‘als een leeg mens, vol bitterheid en schaamte, als zand dat kraakt tussen je tanden’ uit de oorlog is gekomen. Hij schrijft om te zien ‘of hij nog iets kan voelen, of hij nog kan lijden’ na alles wat hij, als eerzaam burger, in opdacht van zijn land, heeft moeten doen en doorstaan. Schuldgevoel? Nee, hij is niet schuldiger dan wij, wij zijn niet beter dan hij. Ook al heeft hij dan een cruciale rol gespeeld bij de Endlösung der Judenfrage, ook al hebben zijn kennis en handelen er actief toe bijgedragen dat er in die periode ‘13,04 joden per minuut’ vermoord konden worden – en wij niet. Immers, betoogt Aue, als wij in zijn schoenen hadden gestaan, hadden wij hetzelfde gedaan. Aue heeft inmiddels een andere naam aangenomen en woont in Frankrijk, het land waar hij een groot deel van zijn jeugd doorbracht, en is daar eigenaar van een kantfabriek. Befehl ist Befehl, is de teneur van Aues pleidooi en Krieg ist Krieg, nietwaar.

Die oorlog, die dagelijkse aaneenschakeling van geweld, moord en verminking, gezien door de ogen van een Duitse beul is wat Littell ons honderden pagina’s lang voorschotelt. Ontbeerde de Franse moderne literatuur vaak ‘het grote verhaal’, nu is het uitgerekend een Amerikaan die de grootste genocide uit de Europese 20ste eeuw in één kaft samenvat. Kenmerkt de Franse literatuur zich doorgaans door een grote aandacht voor stijl en vernieuwing, nu is er een grote roman die zich daaraan onttrekt en zich plaatst in een Russische, naturalistisch- beschrijvende traditie vol semi-filosofische terzijdes en paginalange dialogen. Littell is zo gedetailleerd in zijn beschrijvingen en tweespraken, dat de verwerking tot een televisiefeuilleton in, laten we zeggen, tweehonderd delen maar weinig aanpassing zou vergen. Decor, personages, kleding, gezichtsuitdrukking – Littell heeft het allemaal heel precies opgeschreven. Hoe de Russische jonge vrouw erbij lag in de sneeuw en een hond aan haar ontblote borst vrat, nadat het touw waarmee de Duitsers haar hadden opgeknoopt gebroken was; hoe duizenden argeloze Russische joden met hun schamele bezittingen naar de rand van een diepe kloof werden gedirigeerd om daar te worden doodgeschoten, zodat de kloof gevuld werd met hun deels nog levende lichamen; hoe joodse dorpsbewoners hun eigen graf moesten graven en stootten op de botten van degenen die door de Russische communisten op zelfde plek waren vermoord; hoe wanhopige vrouwen en zieke kinderen voor het vuurpeloton werden gezet; hoe het voelt om met soldatenlaarzen over lijken te lopen; hoe je een pasgeboren baby doodslaat tegen de muur; hoe je een meisjeshand loslaat om het kind te laten fusilleren in een poel van bloed en drek – alles is door Littell haarfijn, scherp, rauw, hard, gevoelloos en uitermate realistisch opgeschreven, alsof hij het met eigen ogen heeft gezien.

Claude Lanzmanns film Shoah heeft hem beïnvloed, net als de beelden van de Vietnamoorlog, die hij als kind op televisie zag en die ook het werk van zijn vader, de spionageschrijver Robert Littell, hebben beïnvloed. De joods-Poolse familie waaruit hij stamt emigreerde aan het eind van de 19de eeuw naar de VS. Als werknemer van diverse niet- gouvernementele organisaties waaronder L’action contre la faim bezocht Littell, die Frans, Engels, Russisch en Servo-Kroatisch spreekt, ’s werelds brandhaarden: Afghanistan, Bosnië, Rwanda, China. In 2001 nam hij ontslag, vestigde zich met zijn gezin in Barcelona en begon aan zijn onderzoek. Hij reisde naar Stalingrad, naar Kiev en Charkov, bestudeerde oorlogsarchieven, notulen van processen, beeld- en geluidsmateriaal. Na drie jaar schreef hij zijn boek, naar eigen zeggen in vier maanden.

Een literair meesterwerk is Les bienveillantes niet. Littells taalgebruik is voor alles functioneel, bezeten, gericht op het doen voortjagen van het verhaal dat hij wil vertellen. Zijn Obersturmbannführer blijft een monster, hoe menselijk hij hem ook wil maken. Dat de man sinds zijn kindertijd een unieke, incestueuze liefde koestert voor zijn zus, dat hij worstelt met zijn homoseksualiteit die een ernstige bedreiging is voor zijn carrière, dat hij Grieks spreekt en in de officiersmess naast de concentratiekampen een mooie boom kan opzetten over Franse filosofen, dat hij Maurice Blanchot leest na het berekenen van de ‘maximale capaciteit van het menselijk reservoir’ en de tijd tot ‘de realisatie van het einddoel’, maakt van hem nog geen geloofwaardige Duitse SS-er. Veel opmerkingen die Littell hem in de mond legt zijn oppervlakkig, zijn gedachten pseudo-intellectueel. Sommige scènes zijn kitscherig en zo sentimenteel dat de krokodillentranen ervan af druipen. Laat ik de scene noemen waarin een uitzonderlijk getalenteerd, twaalfjarig joods pianistje die in de mess de SS-beulen vermaakt, vraagt of ook hij wordt vermoord (Nee, natuurlijk niet. Maar later toch). Of die vele momenten waarop de hoofdpersoon pathetisch terugdenkt aan de puurheid van zijn jeugd (hoewel die werd getekend door incest en haat).

Storend bij het lezen van deze roman is dat onduidelijk blijft wat feit is en wat tot het domein van de fictie behoort. Historische personen worden sprekend opgevoerd. Wat is verzonnen, wat is waar? Je komt er als lezer niet achter. Duidelijk is dat de auteur gedegen onderzoek heeft gedaan, maar op de omslag staat ‘roman’. Waarom deze realistische roman fleuve, kun je je afvragen, als er zoveel historisch materiaal voorhanden is, als de gruwelijke waarheid in woord en beeld geconsulteerd kan worden? Wat heeft deze roman toe te voegen? Het gezichtspunt van een beul? Dat heeft bijvoorbeeld Robert Merle in zijn roman La mort est mon métier al eerder gedaan. Het inzicht dat ambtenaren de oorlogsmachinerie bepaalden en dat de Endlösung vanachter het bureau werd geregisseerd? Dat is wellicht een nieuwe invalshoek. Maar welke diepere laag snijdt deze roman aan?

Daar schiet Jonathan Littell tekort, hoe verpletterend zijn roman ook is. Zijn overtuigingskracht zit in het verhaal, in de narratieve stijl en vooral in de verbeten bezetenheid waarmee hij zijn onderwerp beheerst. Wat Littell niet beheerst is de kunst van de suggestie, van de onderhuidse implicatie, de kunst te zeggen wat onzegbaar is, kortom, wat de roman werkelijk vermag.