God is pas echt gevaarlijk

De evolutiebioloog Richard Dawins leidt de aanval op religie, door de natuurwetenschap. Vanuit de evolutie is de taaiheid van het geloof, uiterst moeilijk te verklaren.

Richard Dawkins: The God Delusion. Bantam Press, 406 blz. € 35,–

Als kind hoorde Richard Dawkins eens een geest tot hem spreken. Hij kon de woorden die een plechtige mannenstem tot hem sprak niet goed verstaan, en ging daarom, bang als hij was, zijn bed uit op de bron van het geluid af. Zo ontdekte hij dat de wind door een sleutelgat speelde en daarbij een lage fluittoon produceerde: ‘Als ik een meer ontvankelijk kind was geweest, dan had ik misschien niet alleen onbegrijpelijke spraak gehoord, maar woorden en zinnen. En als ik ook nog religieus zou zijn opgevoed, wie weet wat de wind dan tot me had gezegd.’

In al zijn eenvoud weerspiegelt deze anekdote uit Dawkins nieuwe boek The God Delusion, dat een afrekening wil zijn met de godsdienst, de inhoud van het boek: de ontvankelijkheid van een kind, de bovennatuurlijke interpretatie, de zoektocht naar een verklaring gedreven door nieuwsgierigheid, en tenslotte de ‘natuurlijke’ oplossing. Het zijn precies die elementen die in dit schitterende, voor gelovigen confronterende, boek ter sprake komen.

Dawkins, de evolutiebioloog van de universiteit van Oxford die wereldberoemd werd door zijn theorie van het ‘zelfzuchtige gen’, is niet de enige wetenschapper die zich de laatste tijd over de relatie tussen godsdienst en wetenschap buigt. Zijn kompaan Daniel Dennett (Breaking the Spell) ging hem al voor, maar ook Lewis Wolpert (Six Impossible Things Before Breakfast), Owen Gingerich (God’s Universe)en Francis Collins (The Language of God) mengden zich in het debat, terwijl binnenkort ook nog God. The Failed Hypothesis verschijnt van de natuurkundige Victor Stenger. Ook in Nederland was er enige opschudding rond de bundel Schitterend Ongeluk of Sporen van Ontwerp? van Cees Dekker en Ronald Meester.

Wetenschap en religie botsen steeds vaker. Zo gaan er in de Verenigde Staten stemmen op om de evolutietheorie en de Intelligent Design -theorie (dat alleen een Schepper de complexiteit van het leven op aarde kan verklaren ) in het onderwijs even veel aandacht te geven. President Bush sprak onlangs zijn veto uit over een wet die een grotere vrijheid beoogt voor het stamcelonderzoek. Het is daarom de hoogste tijd, zo betoogt Dawkins, dat wetenschappers, die in grote meerderheid niet in een persoonlijke God zeggen te geloven, het voortouw nemen in het debat. In de Verenigde Staten noemen mensen met een ‘naturalistisch’ wereldbeeld – vrij van bovennatuurlijke of mystieke kenmerken – zich al ‘brights’, net als homoseksuelen zichzelf ooit gays gingen noemen

Richard Dawkins verkeert al jarenlang op voet van oorlog met het geloof, een oorlog tussen rationalisme en bijgeloof, met godsdienst als de meest verspreide vorm daarvan. Hij vindt God een verkeerd en zelfs gevaarlijk concept: ‘ [...] zonder godsdienst geen zelfmoordterroristen, geen kruistochten, geen heksenjachten, geen 9/11, geen oorlog in het Midden-Oosten, geen problemen in Noord-Ierland en ga zo maar door.’

Dawkins stoort het onevenredig grote respect dat godsdienst automatisch ten deel valt. Waar anderen respect voor hun opvattingen moeten verdienen op basis van argumenten, kennis of welsprekendheid, en zich open moeten stellen voor kritiek, zijn opvattingen die op religieuze gronden stoelen, bijvoorbeeld over ethische kwesties, boven iedere vorm van kritiek verheven. Verontwaardigd wijst Dawkins ook op de Deense cartoonkwestie. In moslimlanden verschijnen voortdurend stereotype, anti-joodse cartoons, maar als een krant een aantal tekeningen publiceert over de profeet Mohammed is de wereld te klein. En dat mogen dan uitwassen zijn van een stelletje religieuze fanatici, volgens Dawkins is ‘[...] de leer van een ,,gematigde’’ godsdienst, een open uitnodiging tot extremisme, zelfs al is ze op zich niet extremistisch.’

Het gaat hem om het principe dat het geloof leert om op gezag dingen aan te nemen. Gelovigen lijden aan een 'delusion’: ‘een hardnekkig, vals geloof, waaraan iemand vasthoudt ondanks sterk bewijs voor het tegenovergestelde. Of zoals schrijver Robert Pirsig schreef: ‘Als een persoon lijdt aan waanvoorstellingen, heet het krankzinnigheid, als er meer mensen aan lijden is het een godsdienst.’ Dawkins wil een serieuze poging doen om gelovigen van die waan te genezen. Hij wil zijn lezers bekeren, schrijft hij ergens, maar als je beziet hoe wild hij soms om zich heen slaat, moet je wel concluderen dat die uitspraak niet anders dan ironisch bedoeld kan zijn.

Al begint hij in zijn bekeringsijver nog redelijk voorzichtig en zeer traditioneel, met het onderuit halen van een aantal vermeende bewijzen van Gods bestaan, zoals die van Thomas van Aquino of het ontologische bewijs van Anselmus van Canterbury. Hij laat ook zien dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bidden niet helpt en dat goddelijke visioenen berusten op een al te grote hersenactiviteit. En ook de Bijbel is geen door God geopenbaarde waarheid, maar hangt aaneen van onlogische passages en inconsistenties. Maar wat kun je anders verwachten van een ‘[...] bijeengeraapte verzameling, onsamenhangende documenten.’

Er is ook geen God nodig om de complexiteit van het leven op aarde te verklaren. Als bioloog weet Dawkins feilloos hoe hij de voorbeelden onderuit moet halen, die Intelligent Design-theoretici als Michael Behe daarvoor steeds weer naar voren brengen, zoals de zweepstaart van de bacterie. En passant wijst hij er ook op hoe Behe tijdens processen over het onderwijzen van Intelligent Design op scholen in de Verenigde Staten, op beschamende wijze zijn onkunde op biochemisch gebied tentoonspreidde. Dat zou een waarschuwing moeten zijn voor Cees Dekker en de zijnen. Wat Dawkins echter – volkomen terecht – het meest stoort, is dat Intelligent Design een fundamenteel onwetenschappelijke manier van denken weerspiegelt. Aanhangers ervan zoeken gaten in de kennis en nemen aan dat alleen God die kan vullen. Maar naarmate de wetenschap voortschrijdt, worden gaten kleiner, en blijft er voor de Schepper geen plek meer over om zich te verbergen. En dat terwijl er zo’n schitterende verklaring is voor het ontstaan van al die complexiteit: natuurlijke selectie en overerving van eigenschappen.

In een eerder boek verwoordde hij dit in de metafoor van ‘Mount Improbable’. Boven op die berg bevindt zich een complex orgaan, zoals het oog of de bacteriële zweepstaart. Dat een dergelijke complexiteit uit zichzelf in één keer zou kunnen ontstaan, is absurd: ‘Alleen God zou de waanzinnige taak op zich nemen om in één keer recht uit het ravijn omhoog te springen.’ Je kunt de berg immers ook aan de andere kant beklimmen langs een heel geleidelijk stijgend pad. De onwaarschijnlijkheid wordt dan opgebroken in een groot aantal veel minder onwaarschijnlijke stapjes. Bovendien roept de Intelligent Design-hypothese onmiddellijk de vraag op hoe de Ontwerper, die nog veel complexer moet zijn dan een jumbojet, dan is ontstaan. De ene complexiteit wordt verklaard door een andere op te roepen.

Een ander veelgehoord argument vóór het bestaan van God is dat een geloof de basis vormt voor het ontwikkelen van een moreel besef, of zoals Dostojevski het zei: ‘Als God dood is, is alles toegestaan.’ Evolutiebiologen hebben echter aangetoond dat altruïsme en vrijgevigheid helemaal niet onverenigbaar zijn met de theorie van natuurlijke selectie. Verder wijst wetenschappelijk onderzoek uit dat de waarden en normen van gelovigen en niet-gelovigen nauwelijks verschillen. Bovendien, zo voert Dawkins aan, verschuiven die waarden en normen in de tijd. Waar vroeger slavernij werd verantwoord met een beroep op de bijbel, geloven de meeste christenen tegenwoordig dat deze praktijk niet overeenstemt met de wil van God. Niet dat Hij van gedachten is veranderd, maar Zijn woord is blijkbaar voor meer interpretaties vatbaar. Dat de Bijbel sowieso niet het beste richtsnoer is voor een goed leven toont hij aan in twee hilarische hoofdstukken, met een opsomming van al het vreselijks dat mensen elkaar in het Oude en Nieuwe Testament aan doen. Nee, we kunnen maar beter zelf uitmaken wat goed of slecht is.

Waar Dawkins het minst overtuigt, is in zijn verklaring voor de hardnekkigheid van het geloof, terwijl het evolutionair gezien toch zo weinig oplevert. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Geloof biedt hulp en troost, en versterkt het groepsgevoel. Evolutiebiologen zien het echter eerder als een bijproduct van iets anders, dat wél evolutionair voordeel oplevert. Het gemak waarmee we verliefd worden bijvoorbeeld. Of onze aangeboren neiging om teleologisch te denken (alles ‘is’ ergens voor, of gebeurt met een doel). Of het gemak waarmee we intenties toekennen, zelfs aan levenloze objecten (wie heeft er nooit op zijn computer gescholden, als die niet deed wat wij wilden).

Dawkins zelf vermoedt dat dit voortkomt uit de neiging van kinderen om onvoorwaardelijk te geloven wat hun ouders zeggen. Dat mag handig zijn in het licht van alle nuttige informatie waarover ouderen nu eenmaal beschikken, maar het maakt ze tegelijk ook ontvankelijk voor religieuze indoctrinatie.

Op driekwart van het boek is dan al duidelijk dat Dawkins aan een heilloze missie bezig is. Wat hij ook betoogt, en hoe prachtig en met hoeveel humor hij het ook opschrijft, hij weet ook wel dat net zo min als gelovigen kunnen bewijzen dat God bestaat, hij het tegendeel kan aantonen.

Het is jammer dat hij de frustratie daarover niet altijd weet te onderdrukken. Bijvoorbeeld wanneer hij uithaalt naar agnostici of naar hen die eraan vasthouden, dat een wetenschappelijk wereldbeeld en een religieus besef heel goed naast elkaar kunnen bestaan, of dat geloof en wetenschap zich vanuit een positie van wederzijds respect met hun eigen domein moeten bezighouden. Ook wie hem beschuldigt van atheïstisch fundamentalisme krijgt de wind van voren: ‘Fundamentalisten baseren zich op een in een boek geopenbaarde waarheid. Als er bewijzen zijn die die waarheid tegenspreken, dan worden die genegeerd. Ik geloof [in evolutie] niet omdat ik een heilig boek heb gelezen, maar omdat ik het bewijs heb bestudeerd.’

Daarmee betoont Richard Dawkins zich op vijfenzestigjarige leeftijd ook weer wonderlijk consistent, want dat was ook al het credo van dat kleine jongetje, dat zich, alleen in het donker, niet bang liet maken, maar zelf op onderzoek uitging.