Een lawine van laatbloeiers

Deze maand worden de debutantenprijzen uitgereikt.

De lijst van genomineerden toont duidelijk aan dat er sprake is van literaire vergrijzing. Hoe komt dat?

Margriet Smulders, Amor Vincit II, 2005, 165 x 125 cm, Flatland Gallery, Utrecht. T/m 7/1 te zien bij De verleiding van Flora in het Prinsenhof in Delft.

Dreigt Nederland overspoeld te worden door literaire laatbloeiers? Die indruk krijg je van de lijst genomineerden voor de Anton Wachterprijs, die morgen in Harlingen wordt uitgereikt. Hun gemiddelde leeftijd is geen 25 of 30 jaar, maar iets meer dan 40. En dan wordt het gemiddelde nog omlaag gebracht door Christiaan Weijts uit 1976 (inmiddels tot winnaar gekozen).

Wie de negen genomineerden voor de twee prijzen bekijkt [zie kader], moet constateren dat de jury’s van de Anton Wachterprijs en de Debutantenprijs over het algemeen goed werk hebben afgeleverd. De meeste boeken op de lijst verdienen de nominatie. En ook op de bekroning van Weijts Art 285b. valt niets aan te merken.

Het ligt, kortom, niet aan de jury’s. De literaire vergrijzing bestaat. Uitgevers brengen graag boeken op de markt van wat oudere auteurs. Waarom? Het antwoord zal samenhangen met de leeftijd van de meeste lezers. Al decennia houden boeken-watchers elkaar voor dat vooral vrouwen van boven de veertig literaire fictie lezen. De thema’s die lezers van die leeftijd interesseren, zijn ook de thema’s waarmee schrijvers van dezelfde leeftijd veel te maken hebben. En debuutromans staan vaak dicht bij het dagelijks leven van de schrijver. Dus lezen we in de genomineerde titels veel over ouders, grootouders en andere familieleden. Het zijn de zaken waarvan mensen zich halverwege hun leven rekenschap proberen te geven: wat is er tot nu toe gebeurd en wat betekent dat voor de toekomst?

Het zijn ook onderwerpen die zich prima lenen voor een literaire verkenning en interpretatie. Deze schrijvers zijn niet naïef; ze kennen het verschil tussen een praktische en een literaire benadering van een onderwerp. Ook als hun boeken een autobiografische inslag hebben, zoals Aleid Truijens’ Geen dag zonder over de ernstige ziekte van haar zoontje, gaat het hun erom zelf iets wijzer te worden. Anderen hebben er misschien ook wel iets aan, maar dat is niet de hoofdzaak. Wat natuurlijk niet wegneemt dat het succes dat de uitgevers met deze boeken beogen, samenhangt met het feit dat de verouderende lezersschare zich veel kan voorstellen bij de genoemde familiekwesties.

Wel word je er door deze stapel boeken mee geconfronteerd dat het bereik van de literatuur steeds kleiner wordt. Een verouderend publiek wordt weerspiegeld in de schrijversschare: literatuur als kunstvorm voor en door de rijpere medemens.

De vergrijzing van de debutanten kan ook een gevolg zijn van de wildgroei onder uitgeverijen, die allemaal op zoek zijn naar nieuw talent. De ‘natuurlijke’ aanwas van jonge hemelbestormers is daarvoor verre van voldoende. Er zijn wel schrijvende jongeren, maar het zijn er niet genoeg om de honger van tien á vijftien naar vers talent zoekende literaire uitgevers te bevredigen. Dus zoeken die elders naar talent, onder mensen die al een ander vak hebben. Die worden vaak niet uit de post gevist, zoals het klassieke idee over de debutant wil, maar worden actief gescout.

Vooral journalisten laten zich steeds vaker tot fictie verleiden – met wisselend succes. Onder de nu genomineerde debutanten zijn verder een dichter, een cabaretier en een vertaler. Verwante beroepen waarvoor al een zekere schrijfvaardigheid vereist is, wat de kans op een totale mislukking als romancier kleiner maakt. Het zijn ook beroepen waarin je eenvoudig weer terugkeert. Zo betwijfel ik of het mooie Geen nacht zonder van critica en biografe Aleid Truijens tot de geboorte van een romanschrijfster leidt. Voorlopig gaat Truijens gewoon door met haar biografie van F.B. Hotz en haar journalistieke werk.

Bij enkele nieuwelingen heb je wel het idee dat zich een definitieve literaire omwenteling heeft voorgedaan. Oud-systeembeheerder Hans Hogenkamp schrijft dat ook met zoveel woorden op de achterflap van zijn Excuses voor het ongemak, het geëngageerde verhaal van een man die een illegaal in huis neemt en al zijn zekerheden ziet sneuvelen, waar hij verklaart het bedrijfsleven vaarwel gezegd te hebben om zich te concentreren op schrijven en pianoles geven.

Gerbrand Bakker volgt weliswaar een opleiding tot hovenier, maar zijn Boven is het stil – over een boer tegen wil en dank – is zo goed en doordacht (maar wel een tikje traag) dat je je niet kunt voorstellen dat Bakker nog veel tijd tussen de planten zal doorbrengen.

Hoewel het onmogelijk is om de nominaties onder één noemer te plaatsen, valt er wel iets te zeggen over het soort boeken dat ze schrijven. Het verrast niet dat daarbij nauwelijks wordt geëxperimenteerd. Wie de Nederlandse debutanten bijhoudt, ziet al jaren dat nieuwelingen er veel meer op gericht zijn aan te schuiven bij wat er is aan Nederlandse literatuur dan dat ze het verlangen koesteren de literatuur te veranderen.

Maar ook inhoudelijk is er nog wel een gemeenschappelijke noemer te vinden in deze negen debuutromans, een aspect dat moeilijk los te zien is van de rijpe leeftijd van de auteurs. Neem de thema’s van enkele genomineerde boeken: In De brief van Pieter Jelle Toussaint wordt een jeugd in een moeizaam gezin geschetst, met fraaie scènes die zich afspelen tijdens een vakantie in Polen, met een hoofdrol voor een even extravagante als labiele oom. De plot draait uiteindelijk om een vaderschapskwestie. Dat gaat allemaal een beetje voorspelbaar – volledig geslaagd is het boek dan ook niet – maar de inzet van de auteur is duidelijk. Deze roman gaat over hoe mensen zich verhouden tot hun eigen geschiedenis.

In Midden op de weg, zo hard mogelijk van Arthur Umbgrove gaat het ook om de verhouding tot een familielid, maar is de geschiedenis méér dan alleen een persoonlijke zoektocht. In deze roman onderzoekt een kleinzoon in een zinledige fase van zijn leven het oorlogsverleden van zijn grootvader. Die spanning maakt het verhaal sterk – en verklaart waarom dit spaarzaam gerecenseerde boek toch al aan zijn vierde druk toe is – maar Midden op de weg, zo hard mogelijk heeft ook een zwakke plek: dat is de verhouding tussen feit en fictie. Want de grootvader heeft echt bestaan. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar bij Umbgrove merk je het. Aan weinig ter zake doende details (zoals het gedichtje van Kopland dat de grootvader uitkoos voor zijn rouwadvertentie) en soms aan de toon. Het lijkt alsof Umbgrove vooral iets over zijn eigen opa heeft willen zeggen. Het vertellen van het best mogelijke verhaal is daaronder gaan lijden. Daardoor doet Midden op de weg, zo hard mogelijk je maar verlangen naar één ding: een boek van dezelfde auteur over hetzelfde onderwerp, maar dan als non-fictie, dicht op de huid van de grootvader, maar zonder het vangnet van de fantasie, dat in een roman alle witte plekken kan opvullen.

Ook in Zwartzuur, de wisselvallige maar mooie debuutbundel van Anneloes Timmerije wordt er veel teruggekeken en gereflecteerd op ouders. Timmerije heeft een fraai oog voor kleinschalige ellende. Dat rechtvaardigt ook dat zij (met Gerbrand Bakker) voor zowel de Anton Wachterprijs als voor de Debutantenprijs is genomineerd – het zijn ook de twee boeken die die prijs het meest verdienen.

Jammer is dat Timmerije de neiging heeft te veel uit te leggen en de tegenstellingen in haar verhalen nogal zwaar aan te zetten. Dat zijn de dingen waaraan je in een debuut niet zo zwaar tilt, omdat een auteur in de loop van zijn verdere carrière nog alle tijd heeft beter te worden. Al zou je wat dat betreft wensen dat Timmerije eerder was begonnen met schrijven. Want dat is wel een probleem van literaire vergrijzing: niet dat de boeken niet goed zijn, maar dat de goede schrijvers minder tijd krijgen om beter te worden, om veel goede boeken te schrijven.

En hoe evenwichtig en aangenaam de boeken van de oudere genomineerden ook zijn, dat de Anton Wachterprijs naar de jongste genomineerde is gegaan lijkt me toch ook geen toeval. Want de energie en de scheppingsdrang die Christiaan Weijts in zijn trouwens ook niet perfecte (want overvolle) stalkers- én muziek- én liefdesroman Art 285b. tentoonspreidt, geeft je de zekerheid dat er nog meer komt en de overtuiging dat het ook nog beter wordt. En dat er nog steeds schrijvers zijn wier talenten zich niet tot hun veertigste laten verbergen – gelukkig.