Drie korstjes tegen de moderne wereld

Justin Tussing: The Best People in the World. HarperCollins, 336 blz. € 23,95

Paducah, Kentucky, waar het begin van Justin Tussings debuutroman zich afspeelt, heeft een grote muur gebouwd om de stad te beschermen tegen overstromingen van de rivier de Ohio. Maar de rivier weigert te overstromen om zo de muur te testen. De 17-jarige hoofdpersoon, Thomasmoet inspectierondes lopen over hoge gaanderijen: ‘Daar stond ik, leunend tegen de reling met mijn ogen dicht. Soms knikten mijn knieën onder me en was het alsof ik voorover zou vallen in die zwarte put.’

Thomas, het mag duidelijk zijn, voelt zich opgesloten en is rijp voor het vrije, wilde leven. Na de zomer valt hij als een blok voor zijn lerares, Alice, acht jaar ouder dan hij. . Er is voor hun affaire geen plaats in Paducah, maar gelukkig is daar Shiloh Tanagereen zwerver die zich aan het kleinsteedse conformisme onttrekt. Het is 1972, de tegencultuur lokt.

Shiloh kent hippiegemeenschappen in New York en Vermont, en dan is er, als uit het niets, het verlaten landhuis dat de drie tegenkomen, en waar ze zonder inmenging van buiten hun gang kunnen gaan. Kraken? Een kind kan volgens Shiloh de was doen. ‘Het belangrijkste is dat je met heel je hart gelooft dat je net zoveel recht hebt op een plek als iemand anders.Vervolgens zorg je dat je je er thuis voelt.’

The Best People in The World heet het vreemde, intrigerende debuut dat Justin Tussing heeft geschreven. Vreemd, omdat Tussing erg goed schrijft maar in zijn boek tegelijk zulke klungeligheden heeft laten zitten: het weinige geld dat Thomas en Alice bij zich hebben blijft alsmaar genoeg voor uitgebreide maaltijden, bijvoorbeeld, en o, wat handig dat Shiloh toevallig weet hoe je waterleidingen moet ontdooien en elektra moet aftappen.

Intrigerend is het boek omdat Tussing feilloos het vacuüm weet over te brengen waarin deze drie zelfverkozen marginalen – crusties of ‘korstjes’ zoals de Britten ze wel noemen – hun leven leiden. Zowel Alice als Shiloh blijken zo hun redenen te hebben het maatschappelijk bestaan te ontvluchten. De 17-jarige Thomas verpersoonlijkt de onschuld, maar moet al snel alle zeilen bijzetten om zich staande houden tussen de botsende belangen van Shiloh en Alice. Bovendien blijkt Shiloh er onaangename vrienden op na te houden en gebeuren er vreemde dingen in de kelder van het huis. Van een Walden is hier dus geen sprake. In plaats van erachter te komen wat er werkelijk toe doet, raken de drie steeds meer in verwarring, verwaarloosd, verdwaasd, verstrikt in zichzelf en elkaar.

In Tussings ogen bouwt de tegencultuur niets op, zoals zij zelf gelooft, noch probeert zij de maatschappij te vernietigen. Tussing beschrijft zijn minigemeenschapje van outcasts als een stel ruziënde pubers, vervuld van zichzelf en met de handen vol aan het dagelijks gevecht tegen de desillusies die ze zelf veroorzaken. Niets is bedrieglijker, fataler en makkelijker te manipuleren, laat deze Small American Novel zien, dan hartstochtelijk geloof in jezelf en je eigen levensstijl.

Alle sporen lopen dood in dit boek: een hippiekind dat kort komt logeren wordt weer weggehaald, de bom die Shiloh bouwt ontploft in zijn gezicht, de zwangerschap van Alice blijkt een zinsbegoocheling.

Het fraaie is dat Tussing zijn anti-utopie niets cynisch of veroordelends heeft meegegeven, maar juist heel lyrisch heeft getekend. De zomer en winter in het huis laten zich ondanks alle ruzies, ongelukken, angst en wreedheid, lezen als een gedoemd sprookje, de lezer voelt het gat in de tijd waarin Thomas, Alice en Shiloh zichzelf voor even laten verdwijnen.

Zo goed als hij sfeer tekent, zo onbeholpen is Tussing in het bouwen van een plot. Elk nieuw hoofdstuk begint met een verhaal over twee oude mannen die op zoek zijn naar wonderen. Dat wonder blijkt te bestaan, in het huis van de drie crusties, en het heeft een luguber karakter. Maar van dergelijke Donna Tartt-achtige wendingen moet Tussing het duidelijk niet hebben. Veel meer zijn het de details, zoals de verwikkelingen rond Alice’ ‘geluksvos’, of de geur van de stapel dekens waaronder zij en Thomas zich een winter lang verschansen, die de lezer bijblijven.