Donkere verlokkingen

Alex Roeka zingt over zeebonken, nachtkroegen en ongrijpbare vrouwen. Ook op zijn nieuwe en vijfde cd.

Artiest? Alex Roeka proeft het woord en kijkt bedenkelijk. „Bij het woord artiest denk ik eerder aan een goochelaar”, zegt hij. „Ik zie mezelf meer als een zanger. In de oorspronkelijke zin van het woord: een man die zijn eigen liederen zingt en daarin zijn ziel en zaligheid legt. Het is misschien wat puristisch om het zo te zeggen, maar een zanger heeft voor mij de plicht over zichzelf te zingen. En wat hij schrijft, gaat over zijn diepste zielenroerselen, zoals bij dichters. Ja, ik zou mezelf graag zanger noemen”.

Zijn nieuwste cd heet Hadeskade, net als zijn theaterprogramma dat zondag in première gaat in de Kleine Komedie in Amsterdam. De cd is zijn vijfde, en net als de vorige vier gewijd aan een leven dat achter hem ligt. Roeka zingt over weemoed en hartzeer, zeebonken, nachtkroegen en ongrijpbare vrouwen, over de donkere verlokkingen van de grote stad waarin hij ronddoolt „als een wankel kind vlak voordat het valt”, maar ook over een vroegere geliefde die zo mooi bij een rode deur kleurde, en een vrouw die hem hopelijk weer zal leren van iemand te houden. Het is een eigen geluid dat hij aanheft, gruizig en af en toe klaaglijk, maar zonder te verzuipen in een zee van zelfmedelijden, veelal versterkt door sobere blues-akkoorden, maar soms ook opgejaagd door een steeds snellere driekwartsmaat.

Tien jaar lang reist Alex Roeka (51) nu al met zijn liedjes door het land. De tien voorgaande jaren had hij naar eigen zeggen „vermorst, verknoeid en verkloot, omdat ik niet wist wat ik moest doen.” Hij was een notariszoon in het Brabantse stadje Ravenstein, die op zijn negende door zijn ouders naar een kostschool werd gestuurd in de hoop dat hij daar bevriend zou raken met andere telgen uit betere milieus. „Maar ik was een gevoelig kind en kon die kostschool niet aan. Ik ben daar van mijn fundamenten gesodemieterd. En dat heeft me een levenslang gevoel van ontheemding en onrust opgeleverd, dat ik nog altijd met me mee draag. Ik voel me nergens thuis. Voor een ander zijn dat misschien romantische begrippen, maar het gevoel dat ermee samenhangt, is een rotgevoel.”

Ook in zijn studententijd voelde hij zich „als een rat in een vreemd pakhuis.” Na het kandidaatsexamen psychologie trok hij naar zee. Het werd een sleepboot in de Adriatische wateren. De biografie op zijn website vermeldt wat erop volgde: „Werd door een Italiaanse koningin van de betaalde liefde ingewijd in de geheimen van de erotiek. Vatte een onmogelijke liefde voor haar op. Werd van boord gezet en maakte een reis door Italië, Noord-Afrika en Spanje. Kwam uiteindelijk in Genua terecht, waar hij aanmonsterde voor twee reizen naar West-Afrika.” Het klinkt allemaal nogal luchtig zoals het daar in hoog tempo wordt opgesomd, geeft hij toe: „Maar in werkelijkheid was het behoorlijk heavy.” En ergens onderweg vond Alex van Mourik dat er bij zijn nieuwe leven ook een nieuwe naam hoorde: Alex Roeka. „Overgenomen van een Portugese fado-zangeres die Farouka heette. Dat vond ik een mooie klank.”

Veel meer omzwervingen

volgden. Maar al die tijd had Roeka wel geschreven: „Mijn hele familie schreef, dat was gewoon. Vanaf mijn veertiende schreef ik gedichten. Echte middelbareschoolgedichten. Eerst in de trant van Paul van Ostayen. Klankgedichten, romantische gedichten. Later had ik Nijhoff en Slauerhoff als grote voorbeelden.” Sinds hij op kostschool uit een grammofoon de oerkreet van Little Richard in Long Tall Sally hoorde, zat er bovendien muziek in zijn bagage: „Als ik een vent met een gitaar zag, werd ik daar altijd heel opgewonden van. Wat anderen met auto's hadden, had ik met gitaren. Waar die dingen vandaan komen, weet je nooit – die zijn nu eenmaal zo. Maar in mijn milieu hoorde een gitaar er niet bij. Dat verlangen heb ik dus heel lang weggedrukt.”

Tot het moment kwam, waarop Roeka op een ochtend in Amsterdam – in een kamer die hij niet kende – een gitaar zag staan en opeens een liedje ging maken: „Ik hoor de wereld vluchten door de straat / Het schijnt dat er een doel is of zoiets / Als ik nu ga en onderweg niet meer verdwaal / Misschien dat ik ’t morgen dan, morgen nog achterhaal.” Al eerder had hij wel eens geprobeerd Engelstalige nummers te schrijven, naar het voorbeeld van Randy Newman en Bob Dylan. Maar dit was zijn eerste liedje in het Nederlands. „Toen ik tenslotte al het andere aan de kant had gesmeten”, zegt hij, „bleven er dus twee dingen over: de poëzie en de muziek.”

Maar in de Nederlandse kleinkunstwereld kende hij heg noch steg. „Ik las in Vrij Nederland dat Jacques Klöters de grootste kenner van het Nederlandse lied was. Nooit van gehoord, maar ik heb een demootje gemaakt en aan hem toegestuurd. Dat ging hij draaien op de radio. En via Jacques ben ik ook in aanraking gekomen met een platenlabel. Daarna kwam de ontdekking dat je dit soort liedjes alleen kunt zingen in het theater. In een café of op straat heb je niets aan liedjes waar echt naar geluisterd moet worden. Het is begonnen met poëziemiddagen waar ze een muzikale entr’acte nodig hadden, en gaandeweg werd het een theaterprogramma. Met een band van drie man (pianist-arrangeur Jaco Benckhuijsen, accordeonist Peter van Os en bassist Reyer Zwart) en verbindende teksten. Een man die zijn verhaal vertelt, daar komt het op neer.”

Makkelijk was de start niet. „De eerste keer was op een podium in Amsterdam-Zuid”, herinnert Roeka zich met een verwrongen grijns. „Zo’n zaaltje waar één keer in de week een avond werd georganiseerd voor miskend talent – die naam alléén al. Dus ook in het publiek zaten heel wat miskende talenten. Met trillende knieën stond ik daar. De ogen dicht, bang om mijn teksten te vergeten, en hevig transpirerend. Maar gelukkig ben ik gewend geraakt aan het optreden. Het kost me ook steeds minder moeite om tussen de liedjes door iets te vertellen. Ik moet zelfs oppassen dat die praatjes niet te grappig worden. Ik wil geen cabaretier worden, daar zijn er zo veel van”.

Roeka’s eerste openbare

erkenning kwam in 2000, toen hij de Annie M.G. Schmidt-prijs voor het beste theaterlied van het jaar won met Noem het geen liefde: „Noem het wat je wilt / maar noem de liefde liever niet.” Een ander nummer, Neem dit kleine hart van mij, belandde zelfs op het repertoire van De Dijk. „Ik heb het in Paradiso gezongen op hun jubileumconcert. De hele zaal stond mee te zingen. Dat had ik nog nooit meegemaakt: een liedje dat ik in mijn eentje in een kamertje had geschreven – en iedereen kende het refrein, woord voor woord. Niet van mij, maar door de uitvoering van De Dijk. Maar toch was het een sensatie; de rillingen liepen over mijn rug. Van ontroering, opwinding, enthousiasme, erkenning en ja – bijna van geluk.”

Sinds die eerste liedjes is de bron niet meer uitgeput, stelt Alex Roeka vast. „Muziektheater van de autobiografische stroom”, noemt hij zijn repertoire. „Mijn pen heeft uiteraard een eigen leven en gaat wel eens met mijn verbeelding op de loop. Dan wordt er iets uitvergroot. Niet alles wat ik schrijf, heb ik precies zo meegemaakt. Maar wel genoeg om te kunnen zeggen dat ik bezig ben mijn autobiografie in liedjes te schrijven.” Zijn grootste voorbeeld is Jacques Brel, in wie hij zich pas de laatste jaren heeft verdiept: „Ik kende natuurlijk wel zijn bekendste nummers, maar verder niets. Wat een gigantische man was dat. De kracht waarmee hij op het podium stond, die mimiek, dat beeldend vermogen – ik geloof niet dat ik dat in me heb, en dat moet ik ook niet proberen. Maar hij heeft me meer beïnvloed dan de hele Nederlandse kleinkunsttraditie.”

Zijn bestaan heeft, kortom, een drastische wending genomen sinds de dagen van de zelfkant. En als vanzelfsprekend doemt de vraag op of daarmee ook de ontheemding en de onrust tot het verleden behoren. „Nee”, antwoordt Alex Roeka. „maar in het schrijven en het zingen kan ik het onheil bezweren. Ik weet nu wat ik te verliezen heb. Het is me één keer overkomen dat ik zo veel had gezopen dat mijn optreden volledig in de soep liep. Dat laat ik nooit meer gebeuren. Vroeger heb ik heel goed kunnen zien wat zelfdestructie is. Jezelf moedwillig het graf in jagen. Zelf heb ik dat nooit gehad, maar ik stond er wel dichtbij. En daar is niets romantisch aan. Ik ga mezelf niet het imago aanmeten van iemand die volgepropt met speed en wankelend op het podium staat. Dat ik die liedjes kan schrijven en zingen, is een godsgeschenk. Dat koester ik.”

Tournee t/m 20/7. Inl. 0546-861958, www.alexroeka.nl