De vloek van het zilver

De geschiedenis van Noord- en Zuid-Amerika loopt sterk uiteen. De Britse historicus J.H. Elliott laat in een verbluffend boek zien hoe dat zo is gekomen – en hoe het heel anders had kunnen gaan. Over George W. Bush en Hugo Chávez, en hun verre voorzaten, de koningen van Engeland en Spanje.

J.H. Elliott: Empires of the Atlantic World. Britain and Spain in America 1492- 1830. Yale University Press, 546 blz. €34,50

Een duivel en een werelddictator, zo noemde de Venezuelaanse president Hugo Chávez zijn ambtsgenoot George Bush onlangs in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. De twee staatshoofden personifiëren niet alleen twee tegenovergestelde ideologieën – het neoconservatisme van Bush en het socialistische Bolivarisme van Chávez – maar ook twee radicaal verschillende culturen. Twee botsende beschavingen op het Amerikaanse continent: de ene zetelend in Washington, vernoemd naar de planter die de eerste president van de onafhankelijke Verenigde Staten werd; de ander in Carácas, de geboorteplaats van Simón Bolívar, de grote onafhankelijkheidsstrijder van Zuid-Amerika.

Noord- en Zuid-Amerika: beide zijn ontstaan uit koloniale overheersing, maar ze vormen toch twee volstrekt verschillende werelden. Hoe dat komt, beschrijft de Britse historicus Sir John Elliott in zijn vuistdikke boek over de ontwikkelingsgeschiedenis van twee Amerika’s, het Spaanse en het Britse Amerika, vanaf hun ‘ontdekking’ in 1492 tot 1830. De kennis die Elliott hier met veel schijnbaar gemak tentoonspreidt, is imposant. Empires of the Atlantic World is de culminatie van een lezend, docerend en schrijvend leven. Een leven dat voor het grootste deel aan vroegmodern Spanje en zijn overzeese rijk was gewijd. Een van zijn eerste boeken, het standaardwerk uit 1963 over het Spaanse koninkrijk in de 16de en 17de eeuw, Imperial Spain, is nog steeds in druk. De Spaanse expansie in zuidelijk Amerika heeft altijd een belangrijke plaats in Elliotts werk ingenomen, omdat het zo onlosmakelijk met de bloei en verval van de Habsburgse monarchie is verbonden. Nu heeft Elliott er een half continent bijgenomen, naar hij zelf zegt geïnspireerd door zijn jarenlange verblijf in de Verenigde Staten, waar hij geschiedenis in Princeton doceerde.

Zijn techniek van vertellen en vergelijken is fabelachtig goed. Bij deze vertegenwoordiger van de verhalende historische school, staan de feiten nooit op zichzelf; ze zijn deel van het verband dat geschiedenis heet. Zijn beschrijvingen zijn altijd tevens analyse. In Elliotts handen heeft de geschiedenis geen plan, maar is ze een grillig meester over het lot van mensen en continenten. De geschiedenis volgt dan ook geen rechte lijn naar het heden. Hij vertelt dan ook niet het verhaal van de onvermijdelijke opkomst van de Angelsaksische gebieden. Wel betoogt hij dat de Verenigde Staten in de 18de eeuw een sterke politieke en economische dynamiek ontwikkelden, die een lange adem bleek te hebben, en door de soepele overgang van kolonie naar onafhankelijkheid zijn dynamiek kon behouden. Elliott spreekt hier van een ‘creatief pluralisme’ dat geheel tegengesteld was aan de starre structuren van het Spaanse rijk, dat immers stoelde op consolidatie van de zilverleveranties en een sterk hiërarchische bestuurlijke cultuur.

Empires of the Atlantic World is vergelijkende geschiedschrijving op haar best. Elliott pretendeert niet de geschiedenis van het hele Amerikaanse continent te schrijven. De Portugezen, Fransen en Nederlanders blijven geheel buiten beeld. Zijn bedoeling is om ervaringen van de twee grootste koloniale rijken naast elkaar te leggen. Zijn vervlechting van de lotgevallen van de Spaanse en Engelse koloniën, elk op zich al zo geschakeerd, is nergens geforceerd. Virtuoos schakelt Elliott over van de eerste schreden van Hernán Cortés in het rijk van Montezuma in 1519 naar de landing van Christopher Newport in 1607 in wat later Jamestown zou gaan heten; van de gedwongen bekeringen in de Spaanse koloniën tot de religieuze pluriformiteit in het noorden; en van de fragmentatie van het Spaanse rijk in aparte staten tijdens de opstand tegen Spanje tot de confederatieve eenheid in de Engelse koloniën.

Elliott bestrijdt de aanvechting om het gehele Amerikaanse continent in een universeel historische ritmiek van ontdekking, exploitatie en onafhankelijkheidsstrijd onder te brengen. Dat deed enkele jaren geleden de Britse historicus Felipe Fernández-Armesto, die in The Americas betoogde dat het gehele Amerikaanse continent tot ver in de 19de eeuw een gelijke ontwikkeling doormaakte en dat grote verschillen tussen Latijns- en Angelsaksisch-Amerika van vrij recente makelij zijn. Elliott liet zich indertijd in een bespreking van Fernández-Armesto’s boek al kritisch uit over deze haastige suggestie van een uniforme ontwikkeling, en doet daar nu ruim 500 bladzijden bovenop.

De verschillen winnen het van de overeenkomsten bij Elliott. Natuurlijk bestonden er grote gelijkenissen tussen de twee koloniale rijken. Beide staten hadden enige ervaring met het inlijven van gebied vòòr hun overzeese avonturen. Spanje had het Iberisch schiereiland langzaam aan de Arabieren ontfutseld – Cortés noemde de Azteekse tempels dan ook moskeeën – en Engeland had zijn koloniale precedenten in Ierland. Beide kolonisaties vonden hun inspiratie en legitimatie in de religie, de Spanjaarden gesanctioneerd door de paus, de Engelsen door hun strijd tegen diezelfde paus en hun idee een uitverkoren natie te zijn.

Maar Elliott laat vooral zien hoezeer de trajecten in Noord- en Zuid-Amerika eigenlijk al vanaf het begin uiteenliepen. Van het grootste belang was de vondst, door de Spanjaarden, van goud en zilver in de Amerikaanse bodem. Vooral de ontdekking van de zilverreserves in Potosí, in de oostelijke Andes, bleek bepalend voor de economische ontwikkeling van de Spaanse koloniën. Het edelmetaal was zo onuitputtelijk, dat het lange tijd de grootste bron van welvaart bleef voor het hof in Spanje en de elites in de kolonie, en een gezonde economische ontwikkeling in de weg stond.

Heel anders was het in Virginia, waar de eerste kolonisten zich ternauwernood staande konden houden en waar de lokale producten zich nauwelijks voor de handel leenden. Pas met de komst van tabak in Virginia en de bloei van de suikerindustrie op Barbados in de Caraïben ontwikkelden de Britse koloniën zich tot economische schakels in het Britse imperium. Maar die economie was veel minder afhankelijk van de koninklijke luimen en behoeften dan het Spaanse rijk.

Evenzeer bepalend was de spreiding van de oorspronkelijke Amerikaanse bevolking. De Spanjaarden vestigden zich in de dichtbevolkte gebieden van de Mexicaanse Azteken en Peruaanse Inca’s. Ook al sneuvelde het grootste deel van de oorspronkelijke Amerikaanse bevolking als gevolg van geïmporteerde ziekten en door geweld, er bleven genoeg mensen in leven om als arbeidskrachten in de koloniale economie te worden ingezet. Door de grotere aantallen inheemse Amerikanen in het zuiden konden de Spanjaarden over lokale arbeid beschikken voor de exploitatie van hun koloniën en vooral de ontginning van de zilvermijnen. De kolonisten in Virginia kwamen in een gebied waar de Indianen weinig talrijk waren. Hier moesten zij een economie met eigen handen van de grond tillen – hoewel zij het echte handwerk al spoedig aan Afrikaanse slaven overlieten.

De koloniën waren in het Engelse noorden én het Spaanse zuiden verzamelplaatsen van mensen die sterk van elkaar verschilden, in herkomst, godsdienst, uiterlijk en gedrag. Meer dan de samenlevingen in Europa stoelden de koloniale samenlevingen op aanpassing en experiment. Dat pakte voor beide delen van Amerika heel anders uit. De Spaanse koloniale samenleving was raciaal veel meer gemengd en ook relatief tolerant. De Engelse koloniën in het noorden laten een paradoxaal beeld zien: aan de ene kant was de samenleving meer divers en had een sterker egalitair karakter dan de Spaanse, maar dit bleef beperkt tot blanke kring. De Indianen werden verdreven en de geïmporteerde zwarte bevolking zwaar onderdrukt. Het Engelse noorden was raciaal veel sterker gespleten dan het Spaanse zuiden.

Het is aantrekkelijk dergelijke verschillen uit de volksaard van de kolonisten te verklaren. Inderdaad had de Spaanse samenleving al ruime ervaring met religieuze en etnische verscheidenheid, door de aanwezigheid van grote aantallen moslims en joden in het moederland. Het Engelse thuisland was veel homogener. Bovendien had zich in Ierland al een traditie ontwikkeld waarin de Engelse kolonisten afstand hielden van onontwikkelde Ierse massa. Maar Elliott maakt duidelijk dat de lokale omstandigheden in de kolonie van minstens zo groot belang waren. De urbanisatie in de Spaanse gebieden was veel sterker – dat was al zo onder de prekoloniale, inheemse rijken – en daarmee was ook de typisch stedelijke vermenging van mensen en groepen groter. De Indiaanse bevolking was van wezenlijk belang voor de koloniale economie en bleef dus veel prominenter aanwezig in de samenleving. De stedelijke nederzettingen in het noorden bleven lang erg klein – eind 17de eeuw telde Boston zesduizend inwoners, Mexico Stad honderdduizend – en de plantage-economieën van Virginia en de Caraïben raakten steeds meer afhankelijk van de Afrikaanse slaven. Daarmee nam de raciale gespletenheid toe.

De afwezigheid van een krachtige en dominante monarchie die de touwtjes strak in handen hield, zoals in de Spaanse gebieden wel het geval was, bleek ook bepalend voor de ontwikkeling van de economie van Noord-Amerika en voor het ontstaan van vormen van vertegenwoordigend zelfbestuur. Bovendien droeg het pluralisme van de Noord-Amerikaanse kolonisten bij aan het ontstaan van een cultuur van politieke consensus. Al met al waren de Engelse koloniën beter voorbereid op de onafhankelijkheid, die ook met veel groter gemak werd bevochten dan in Zuid-Amerika, waar de langgerekte dekolonisatieoorlogen het continent voor decennia ontwrichtten.

In de laatste alinea’s van zijn boek waagt Elliott zich aan een hypothese. Wat als Columbus wél een gewillig oor had gekregen in Engeland en zuidelijk Amerika in naam van de Engelse koningen Hendrik VII en Hendrik VIII had veroverd? Het antwoord draait, opnieuw, om zilver. Elliott betoogt dat als niet Spanje maar Engeland de beschikking had gekregen over de Zuid-Amerikaanse zilverreserves, de Engelse monarchie zich zou hebben weten te versterken, dat de Reformatie dan waarschijnlijk weinig voet aan de grond zou hebben gekregen in de Britse eilanden, en dat de opkomst van de democratie er minder kansrijk was geweest. Daarentegen zou de Spaanse kroon relatief arm zijn gebleven en zich nooit tot de machtigste speler van het Europese continent hebben kunnen ontwikkelen.

Met dergelijke speelse exercities en inzichten laat Elliott zien hoe hij deze geschiedenis in zijn vingers heeft. Hij stopt zijn relaas op het moment dat de Verenigde Staten een sterke expansieve dynamiek gaan vertonen, die vaak ten koste ging van de Spaanse kolonieën en de onafhankelijke staten die daaruit zijn voortgekomen. Florida zou in 1818 in handen van de VS komen, later in de 19de eeuw gevolgd door Texas, Nieuw-Mexico en Californië. Zuidelijk Amerika werd feitelijk tot achtertuin van de Verenigde Staten. Bijna twee eeuwen van oorlog, interventie en geheime operaties volgden – tot aan de pogingen van de CIA, in 2001, om de Venezolaanse president Hugo Chávez uit het zadel te lichten. Zonder succes.