De laatbloeierslawine

Wat goed is, kan ook langzaam komen. De gemiddelde leeftijd van schrijvers die een eerste boek publiceren, ligt steeds hoger. De meeste lezers zijn ook al wat ouder – dus dat komt goed uit. Maar hebben de laatstarters nog de tijd om écht goed te worden?

Dreigt Nederland overspoeld te worden door een tsunami van literaire laatbloeiers? Die stellige indruk krijg je van de nominatielijst voor de Anton Wachterprijs, die morgen in Harlingen wordt uitgereikt. Hun gemiddelde leeftijd is geen 25 of 30 jaar, maar iets meer dan 40. En dan wordt het gemiddelde nog flink omlaag gebracht door de (inmiddels tot winnaar gekozen) Christiaan Weijts uit 1976. Andere debutanten delen hun geboortejaar met routiniers als Kristien Hemmerechts (1955), Ronald Giphart (1965), en wijlen Karel Glastra van Loon (1962). De genomineerden voor de Debutantenprijs, die eind deze maand in Dordrecht wordt toegekend, schommelen rond dezelfde leeftijd.

Niet dat laat debuteren per se veel zegt over literaire kwaliteit. Twee van de grootse sieraden uit de Nederlandse literatuur van de vorige eeuw, de P.C. Hooftprijswinnaars A. Alberts en F.B. Hotz, betraden het literaire toneel toen ze respectievelijk 41 en 54 waren. Aan de andere kant komt wat goed is meestal sneller: van Reve tot Grunberg en van Nooteboom tot Hugo Claus; ze debuteerden als jonge twintigers – of zelfs nog eerder.

Wie de negen genomineerden voor de twee prijzen bekijkt [zie kader], moet constateren dat de jury’s van de Anton Wachterprijs en de Debutantenprijs goed werk hebben afgeleverd. De meeste boeken op de lijst verdienen de nominatie. Slechts een handvol titels is over het hoofd gezien, zoals de sterke, eigentijdse verhalenbundels Novembermeisjes van Vincent Overeem en IJsregen van Sanneke van Hassel. En het inktzwarte scholierendrama Een verhaal uit de stad Damsko van Hasan Bahara. Ook op de bekroning van Weijts’ Art 285b valt niet veel aan te merken.

Het ligt, kortom, niet aan de jury’s. De literaire vergrijzing bestaat. Uitgevers brengen graag boeken op de markt van wat oudere auteurs. Waarom? Het antwoord zal samenhangen met de leeftijd van de meeste lezers. Al decennia houden boeken-watchers elkaar voor dat vooral vrouwen van boven de veertig literaire fictie lezen. De thema’s die lezers van die leeftijd interesseren, zijn ook de thema’s waarmee schrijvers van dezelfde leeftijd veel te maken hebben. En debuutromans staan vaak dicht bij het dagelijks leven van de schrijver.

Dus lezen we in de genomineerde titels veel over ouders, grootouders en andere familieleden: vaders die zich misdragen hebben, een oom die een vader blijkt te zijn, moeder die geen moeder blijkt te zijn, doodzieke kinderen, grootvaders van wie alle verhalen op verdraaiingen blijken te zijn gebaseerd, een ongelukkige migrantenvader. Het zijn de zaken waarvan mensen zich halverwege hun leven rekenschap proberen te geven: wat is er tot nu toe gebeurd en wat betekent dat voor de toekomst?

Het zijn ook onderwerpen die zich prima lenen voor een literaire verkenning en interpretatie. Het gaat dan ook niet om zelfhulp in de trant van: hoe ga ik om met een dementerende ouder, of hoe verwerk ik het verlies van een dierbare. Deze schrijvers zijn niet naïef; ze kennen het verschil tussen een praktische en een literaire benadering van een onderwerp. Ook als hun boeken een autobiografische inslag hebben, zoals Aleid Truijens’ Geen dag zonder , gaat het hun erom zelf iets wijzer te worden. Anderen hebben er misschien ook wel iets aan, maar dat is niet de hoofdzaak. Wat niet wegneemt dat het succes dat de uitgevers met deze boeken beogen, samenhangt met het feit dat de verouderende lezersschare zich veel kan voorstellen bij de genoemde familiekwesties.

Wel word je er door deze stapel boeken mee geconfronteerd dat het bereik van de literatuur steeds kleiner wordt. Een verouderend publiek wordt weerspiegeld in de schrijversschare: literatuur als kunstvorm voor en door de rijpere medemens.

De vergrijzing van de debutanten kan ook een gevolg zijn van de wildgroei onder uitgeverijen, allemaal op zoek naar nieuw talent. De ‘natuurlijke’ aanwas van jonge hemelbestormers is daarvoor verre van voldoende. Er zijn wel schrijvende jongeren, maar het zijn er niet genoeg om de honger van tien á vijftien naar vers talent zoekende literaire uitgevers te bevredigen. Dus zoeken die elders, onder mensen die eigenlijk al een ander vak hebben. Die worden vaak niet uit de post gevist, zoals het klassieke idee over de debutant wil, maar worden actief gescout.

Daarbij speelt ook de aandachtsverschuiving van boek naar schrijver een rol: een interessante persoonlijkheid is de helft van de weg naar succes. Uitgevers die een aantrekkelijk persoon tegenkomen, van een actrice met taalgevoel tot een barman met een schokkend levensverhaal of een krantenverslaggever met mooie reportages, vragen al snel: ‘Zeg, heb jij nooit aan een roman gedacht?’

Vooral journalisten laten zich steeds vaker tot fictie verleiden – met wisselend succes. Onder de nu genomineerde debutanten zijn verder een dichter, een cabaretier en een vertaler. Verwante beroepen waarvoor al een zekere schrijfvaardigheid vereist is, wat de kans op een totale mislukking als romancier toch kleiner maakt. Het zijn ook beroepen waarin je eenvoudig weer terugkeert. Zo betwijfel ik of het mooie Geen nacht zonder van critica en biografe Aleid Truijens de geboorte van een romanschrijfster zal blijken te zijn. Voorlopig gaat zij gewoon door met haar biografie van F.B. Hotz en haar journalistieke werk.

Bij een aantal van de nieuwelingen heb je wel het idee dat zich een definitieve literaire omwenteling in hun leven heeft voorgedaan. Oud-systeembeheerder Hans Hogenkamp schrijft dat ook met zoveel woorden op de achterflap van zijn Excuses voor het ongemak, het geëngageerde verhaal van een man die een illegaal in huis neemt en al zijn zekerheden ziet sneuvelen; Hij verklaart het bedrijfsleven vaarwel gezegd te hebben en zich nu te concentreren op schrijven en pianoles geven. Gerbrand Bakker volgt weliswaar een opleiding tot hovenier, maar zijn Boven is het stil – over een boer tegen wil en dank die de vrijheid weer ziet gloren, dankzij een vrouw uit zijn verleden – is zo goed en doordacht (vooruit, ook wel een tikje traag) dat je je niet kunt voorstellen dat Bakker erg veel tijd tussen de planten zal doorbrengen.

Hoewel het onmogelijk is om negen nominaties onder een gezamenlijke noemer te plaatsen, valt er wel iets te zeggen over het soort boeken dat de genomineerden van de generatie 2006 schrijven. Het is niet verassend dat er daarbij nauwelijks wordt geëxperimenteerd. Wie de Nederlandse debutanten bijhoudt, ziet al jaren dat nieuwelingen er veel meer op gericht zijn om aan te schuiven bij wat er is aan Nederlandse literatuur dan dat ze een verlangen koesteren om die literatuur te veranderen.

Maar ook inhoudelijk is er nog wel een gemeenschappelijke noemer te vinden. Neem de thema’s van de genomineerde boeken die nog niet eerder in deze bijlage werden besproken, die van Toussaint, Umbgrove en Timmerije. In De brief van Pieter Toussaint wordt een jeugd in een moeizaam gezin geschetst, met fraaie scènes die zich afspelen tijdens een vakantie in Polen, met een hoofdrol voor een even extravagante als labiele oom. De plot draait uiteindelijk om een vaderschapskwestie. Dat gaat allemaal een beetje voorspelbaar – volledig geslaagd is het boek dan ook niet – maar de inzet van de auteur is duidelijk. Deze roman gaat over hoe mensen zich verhouden tot hun eigen geschiedenis. Toussaint heeft de smaak overigens te pakken, inmiddels is ook zijn tweede roman De vliegfiets, verschenen.

In Midden op de weg, zo hard mogelijk van Arthur Umbgrove gaat het ook om de verhouding tot een familielid, maar is de geschiedenis méér dan alleen een persoonlijke zoektocht. In deze roman onderzoekt een kleinzoon in een zinledige fase van zijn leven, het oorlogsverleden van zijn grootvader. Dat was een geweldige man, slim en onpeilbaar. Een spion ook, van wie lang onduidelijk blijft aan welke kant hij nu precies streed in de Tweede Wereldoorlog. Die spanning maakt het verhaal sterk – en verklaart waarom dit spaarzaam gerecenseerde boek toch al aan zijn vierde druk toe is – maar Midden op de weg, zo hard mogelijk heeft ook een zwakke plek: Dat is de verhouding tussen feit en fictie. Want de grootvader heeft echt bestaan. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar bij Umbgrove merk je het. Aan weinig ter zake doende details (zoals het gedichtje van Kopland dat de grootvader uitkoos voor zijn rouwadvertentie) en soms aan de toon. Het lijkt alsof hij vooral iets over zijn eigen opa heeft willen zeggen. Het vertellen van het best mogelijke verhaal is daar onder gaan lijden. Daardoor doet Midden op de weg, zo hard mogelijk je vooral verlangen naar een boek van dezelfde auteur over hetzelfde onderwerp, maar dan als non-fictie, dicht op de huid van de grootvader, maar zonder het vangnet van de fantasie, dat in een roman alle witte plekken kan opvullen.

Ook in Zwartzuur, de wisselvallige maar mooie debuutbundel van Anneloes Timmerije wordt er veel teruggekeken en gereflecteerd op ouders. Bijvoorbeeld door de dochter, inmiddels zelf op leeftijd, wiens belangrijkste emotionele band met haar vader bestond uit uit een jaarlijkse gezamenlijke gang naar de Mattheüs Passion. Een ander, geslaagd verhaal gaat over twee jeugdvriendinnen die elkaar in de tweede helft van hun leven herontdekken en die, tuttend en mokkend als bakvissen, uit proberen te spreken hoe blij ze met elkaar zijn. De meest verlegene wil de vrijpostige vragen voortaan in één huis te gaan wonen, maar ziet datzelfde idee juist door haar vriendin uitgesproken worden en ontsteekt prompt in woede: ‘Het was bedoeld als verrassing voor dit weekend. Ik wilde het gisteren al vragen, maar we moesten het zo nodig over vroeger hebben, en dan gaf je me ineens een cadeautje. Toen was dat moment ook weer weg. En nu, ik sta op het punt om het voor te stellen, en dan vraag jíj het.’

Dat is het soort kleinzieligheid waar je schouderophalend aan voorbij kunt gaan, maar Timmerije heeft een fraai oog voor kleinschalige ellende. Dat rechtvaardigt ook dat zij (met Gerbrand Bakker) voor zowel de Anton Wachterprijs als voor de Debutantenprijs is genomineerd – het zijn ook de twee boeken die die prijs het meest verdienen. Jammer is dat Timmerije de neiging heeft om te veel uit te leggen en om de tegenstellingen in haar verhalen nogal zwaar aan te zetten. Zo belandt in het openingsverhaal een geheel op eigen kracht al doodongelukkig meisje ook nog in een rolstoel – een verhaaltechnisch paardenmiddel.

Dat zijn de dingen waar je in een debuut niet zo zwaar aan tilt, omdat een auteur nog alle tijd heeft om beter te worden. Al zou je wat dat betreft wensen dat Timmerije eerder begonnen was. Want dat is wel een probleem van literaire vergrijzing: dat de goede schrijvers minder tijd krijgen om heel veel goede boeken te schrijven.

En hoe evenwichtig en aangenaam de boeken van de oudere genomineerden ook zijn; dat de Anton Wachterprijs naar de jongste genomineerde is gegaan lijkt me toch ook geen toeval. Want de energie en de scheppingsdrang die Christiaan Weijts in zijn trouwens ook niet perfecte (want overvolle) stalkers- 'én muziek- én liefdesroman Art 285b tentoonspreidt, geeft je de zekerheid dat er nog meer komt en de overtuiging dat het ook nog beter wordt. En dat er nog steeds schrijvers zijn wiens talenten zich niet tot hun veertigste laten verbergen – gelukkig.

Wilt u reageren? Boeken@nrc.nl