De Koenigs-collectie

Het onvrijwillig bezitsverlies van de Koenigs-collectie had - anders dan zijn zoon, W. Koenigs, betoogt (CS 27 oktober) - een geheel andere achtergrond dan geldgebrek of gokken, het had alles te maken met het naderend naziregime. Bij een Duitse inval zou de collectie ondanks Koenigs naturalisatie niet veilig zijn. Ondergebracht bij Museum Boijmans zou dit anders liggen. Koenigs nam zich dan ook voor om de collectie aan Boijmans te schenken, maar wilde ook van zijn schuld aan de joodse bank (die de collectie in zekerheid had) bevrijd zijn. Voor de verwerving door Boijmans zouden de Rotterdamse havenmagnaten Van der Vorm en Van Beuningen gezamenlijk twee miljoen gulden fourneren. Van Beuningen voerde `tot de liquidatie van de joodse bank op 2 april 1940` de spanning op, werkte Van der Vorm eruit en liet eerst op 5 april 1940 iets van zich horen: een bod van 800.000 gulden, dat door Koenigs geweigerd werd. Op 9 april `de dag van de inval in Noorwegen` stelde dr. Hannema namens Van Beuningen `s-middags aan de bank een ultimatum: ”U kunt nu één miljoen accepteren of straks confiscatie en dan krijgt U niets.” Koenigs was niet bereikbaar. Om 17.00 uur was de zaak door de bank beklonken; in tekeningen was Van Beuningen niet geïnteresseerd, maar louter in schilderijen van Rubens en Jeroen Bosch. Hij behield een aantal schilderijen voor zichzelf en verkocht ook enige. De tekeningen die bij Boijmans in bruikleen waren, schonk hij aan het museum. De rest van de tekeningen verkocht hij aan de Führer. Van Beuningen hield aan de hele transactie een fors bedrag over; desondanks kwam hij na de oorlog met deze onverkwikkelijke zaak ten onrechte goed weg.