Blus ons!

De vernieuwende flamenco van Israel Galván was zo heftig dat hij het Spaanse publiek de zaal uit joeg. Nu is zijn optreden een van de hoogtepunten op de Eerste Nederlandse Flamencobiënnale. „Het is een orgasme van sfeer.”

Zit. Zwijg. Denk aan niets. Kijk. Het is donker. Voor het podium hangt een rood fluwelen gordijn. Een man, hij hoort vast bij de Sala Latinarte van Aluche, een nieuwbouwwijk in Zuid-Madrid, kondigt ‘het flamencogenie’ Israel Galván aan. Het is een modern zaaltje, alles glanst nog en de akoestiek is vast geheel up-to-date, maar het voelt koud aan, klinisch. Zo’n honderd beschaafde toeschouwers hebben een kaartje gekocht en wachten nu welwillend af. Dit is toch geen plek voor het wonder van de flamenco, dat gitanos (zigeuners) en Spanjaarden al sinds het eind van de achttiende eeuw met elkaar delen? Hoe moet hier nu duende ontstaan, die door dichter Federico García Lorca bejubelde staat van betovering waarin artiesten en publiek bij een geslaagde flamenco-uitvoering samen geraken?

Het doek gaat op voor La Edad de Oro (De gouden eeuw). Drie mannen in donkere kleding zitten naast elkaar op houten klapstoeltjes. Zanger Fernando Terremoto opent zijn strot. Hij klaagt, weent, galmt door z’n microfoon. Gitarist Alfredo Lagos kijkt opzij, valt in, vult aan. Danser Galván blijft zitten en tuurt naar voren, de zaal in. De muziek moet het even alleen doen.

Flamenco is een smeltkroes van Andalusische, joodse, Arabische, Noord-Afrikaanse en Indiase invloeden, en zang noch gitaarspel ligt voor westerlingen makkelijk in het gehoor; toch, als je de eis om behaagd of getroost te worden laat varen, word je stukje bij beetje meegesleept in een diep, wellustig soort verdriet.

Intussen heeft het genie zich nog niet verroerd. Nu staat hij op. Stilte. Hij klapt in zijn handen. Wat staat hij er gek bij: bekken naar voren, kromme rug, nek vooruit gestrekt. Forse billen en bovenbenen boven gehakte schoentjes. Hij strekt een arm langzaam naar boven en opzij, als een richtingaanwijzer, knipt met zijn vingers, en dan begint het, beneden: zijn voeten tikken in horten en stoten een ritme, als een telex die papierstroken uitspuugt, en schieten hem over het podium. Hij schopt benen los, zijn armen met sierlijk draaiende polsen vormen het tegenwicht. Ik heb geen idee hoelang het duurt.

Dan, pats, is het voorbij. Galván loopt terug naar zijn stoel. Het klaterende open doekje lijkt hij niet te horen. Hij neemt een slok water uit een flesje, legt zijn handen met gespreide vingers op zijn knieën en tuurt. De muziek begint weer.

Zo gaat het door: drie mannen in opperste, ernstige concentratie, om beurten onderhevig aan korte explosies van energie. Het mooiste is het als ze met elkaar in gesprek gaan: als Terremoto zijn vierkante lijf vlak voor Galván posteert en diens voetgeroffel beantwoordt als een echo, of als Lagos zijn akkoorden nog maar net binnen de door Galván gedanste perken weet te houden. „Olé!” klinkt het dan uit de zaal, of „Agua!” – blus ons! – of er barst spontaan applaus los. Duende.

„Ik begrijp het niet”

, zegt de Nederlandse vrouw, die haar man tijdens hun week vakantie in Madrid heeft meegenomen naar dit toevallig ontdekte flamenco-optreden. We staan in de hal van de Sala Latinarte, de show is voorbij. Om ons heen groepjes uitgelaten Spanjaarden; sommigen imiteren Galváns voetenwerk, of die ene draai van daarnet. „Ik weet echt wel wat van flamenco af”, zegt de vrouw. „Ik heb al veel optredens gezien. Maar bij Galván heb ik moeite om te begrijpen wat hij bedoelt. De muziek en de dans sloten soms helemaal niet bij elkaar aan, vond ik, en ik snapte ook niet waarom mensen op bepaalde momenten ‘olé’ riepen. Maar misschien is dat voor een buitenstaander ook wel niet te snappen. Misschien moet je daar Spaans voor zijn.” Ze kijkt teleurgesteld. Tijdens de Eerste Nederlandse Flamencobiënnale, die op 6 november begint, gaat ze in elk geval kijken bij een van de masterclasses die Galván geeft. Misschien komt ze er dan wel dichterbij.

„Het is een soort orgasme”, zegt Israel Galván (Sevilla,1973) zachtjes, gevraagd naar zijn eigen definitie van duende. „Een orgasme van sfeer.” Het is het meest expliciete woord dat hij tijdens het gesprek op de vroege ochtend in de ontbijtzaal van zijn hotel zal gebruiken, en hij verontschuldigt zich er met een grinnikje voor. Tourmanager José Manuel Blanco Molera, ‘Chema’ voor intimi, dribbelt nerveus naar het buffet met croissants en omeletten op en neer en friemelt met zijn telefoon; Galván wil alleen koffie en een jus d’orange. Hij zit er ineengedoken boven en praat binnensmonds. Hier ziet hij er klein uit, met dunnend haar. Alleen zijn onnatuurlijk brede schouders verraden zijn enorme fysieke kracht.

Galván danst elke dag, vertelt hij, optreden of geen optreden. Vroeger kreeg hij les: eerst van zijn vader José, die in Sevilla een flamencoschool runt, daarna van Mario Maya en Manuel Soler, grote namen uit het vak. Nu onderwijst hij zichzelf.

Toen Galván een jaar of vier was, nam zijn vader hem voor het eerst mee naar La Trocha, een fameuze tablao (commercieel flamencotheater) in Sevilla. In die tijd werd er druk geëxperimenteerd, met bizarre resultaten; Galván herinnert zich zingende travestieten, en grote poppen die bij het dansen werden gebruikt. Van z’n vader moest hij ook flamenco leren dansen. Hij zag er niet veel in; dans was het beroep van zijn ouders. Maar het moest. Op zijn elfde trad Galván toe tot het gezelschap van Mario Maya, en toen hij zeventien was „ontwaakte zijn artistieke kant” alsnog. Vanaf dat moment wilde hij de beste worden. Hij won drie landelijke flamencowedstrijden.

Galván danste in die tijd „zoals anderen wilden dat ik danste”, zegt hij nu, hij volgde het dictaat van de traditie. Maar bij Mario Maya had hij al geroken aan wat er in de flamenco aan vernieuwing mogelijk was. Bij zijn eerste solovoorstelling, die hij in 1998 presenteerde op de Flamenco Biënnale van Sevilla, kwam Galván uit de kast als flamencorebel. ¡Mira! Los Zapatos Rojos (Kijk! De rode schoenen ) was flamenco van een nauwelijks herkenbare soort, vol schokken en verstillingen, gezet op heavy metal en elektronisch lawaai. De helft van het publiek liep boos weg, de zaal uit. Galváns naam was gevestigd.

Sindsdien is hij zich in zijn

voorstellingen blijven vernieuwen. Hij danste zittend op een stoel, op blote voeten, begon plat op zijn rug op de grond aan een gedanste versie van Kafka’s Metamorfose. In het ambitieuze Arena uit 2004 beeldde hij in zes tableaus zijn visie op het stierenvechten uit, ondersteund door onder meer videoprojecties en een doedelzak.

In de pers heette Galván al gauw de „Nijinsky van de flamenco”, om zijn technisch hoogstaande vernieuwingsdrift, en een ‘Kubist’, omdat hij de flamenco in stukjes leek te breken en naar eigen inzicht weer op leek te bouwen. Maar hij had ook tegenstanders. Zijn vader begreep de eerste jaren totaal niet waar zijn zoon mee bezig was, hij had er geen goed woord voor over. Zijn moeder, een danseres van zigeunerafkomst, hield haar handen voor de ogen van afschuw bij een van zijn vroege optredens. Ze kalmeerden pas een beetje toen Galván zijn zus Pastora, ook danseres, bij zijn voorstellingen betrok, vertelt hij met een lachje.

En wat de rest van zijn critici betreft: „Mensen die de traditie zo fel verdedigen, zijn dom. Ze kunnen het niet uitstaan dat anderen mijn werk mooi vinden, dat is bedreigend voor ze. Maar ik voel me door niemand in mijn vrijheid beknot. Ik doe wat ik wil. Ik houd ervan om de traditie, het ongebrokene, te breken.”

Na de overdaad van Arena wilde Galván bij La Edad de Oro vooral „met stilte werken”, en terugkeren naar de basiselementen van zang, gitaar en dans. De naam van de show is een sneer naar de behoudende krachten die de Gouden Eeuw van de flamenco het liefst voorgoed in de tweede helft van de negentiende eeuw zouden bevriezen; die Gouden Eeuw, zegt Galván, is hier, nu.

Sinds een paar jaar heeft hij behalve een Spaans ook een Parijs’ management, dat een wereldster van hem hoopt te maken; hij heeft al opgetreden in heel Europa, in het Midden-Oosten, de VS en Japan. Wil hij zijn flamenco overal brengen? Denkt hij dat dat kan?

„Het publiek vindt het soms misschien vreemd, maar zolang je iets met passie doet, zal het werken. De meeste weerstand ondervind ik in Spanje zelf. In andere landen zijn de mensen opener. Maar het is niet mijn ambitie om in grote stadions te dansen. Dan ben ik liever thuis. Ik heb een vrouw en twee kleine kindjes.”

Mijn complimenten over de voorstelling van gisteravond wuift hij weg. Het ging niet goed. De vloer van de Sala Latinarte beviel hem niet. Maar het kan nog veel erger. In Caïro was het een keer zo vreselijk, daar lag een echte probleemvloer, er moesten microfoontjes in zijn schoenen bevestigd worden, hij was doodmoe van te veel optredens achter elkaar, zijn concentratie was aan flarden. „Die avond”, valt Chema opeens ernstig in, „wilde ik hem doden.” Om dan snel toe te voegen: „Op tournee zijn wij vieren als familie, we delen alles met elkaar. Als het met de een niet goed gaat, lijdt de ander daar ook onder.”

Eerste Nederlandse Flamencobiënnale, 6-12 november 2006, in Amsterdam en Utrecht. ‘La Edad de Oro’ met Israel Galván (dans), Fernando Terremoto (zang) en Alfredo Lagos (gitaar) is op 9/11 om 22.00 u te zien in RASA, Utrecht, en op 12/11 om 19.30u in het Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Kaarten via 020-7882000/ www.muziekgebouw.nl (Amsterdam) en 030-2316040 / tickets@rasa.nl (Utrecht). Masterclasses van Isreal Galván op 10/11 (A’dam) en 11/11 (Utrecht). Zie ook www.flamencobiennale.nl.