Biedt het lijf weerstand aan de laars?

Hans den Hartog Jager: Maltus. De Bezige Bij. 222 blz. €17,90.

Is Nederland te vol? Dat is de beladen vraag die Hans den Hartog Jager de titelheld van Maltus, zijn tweede roman, laat stellen. Hoofdpersoon Martin Maltus is een (fictieve) nazaat van de Engelse cultuurpessimist Thomas Malthus (met h), die twee eeuwen geleden al meende dat de wereld te vol werd en dat er maatregelen genomen dienden te worden om de bevolkingsaanwas te temperen. Zijn achterachterkleinzoon, werkzaam op het Charles Darwin Instituut voor Evolutionaire Psychologie, wil proberen met behulp van een geheim, want controversieel rattenonderzoek aan te tonen dat een te grote bevolkingsdichtheid op den duur leidt tot de ondergang van die bevolking.

Dat is, in een notedop, waar het in Maltus om draait. Maar er komt nog veel meer bij kijken: een liefdesaffaire met een meisje dat er een minder mechanische en doemdenkerige blik op de wereld op na houdt, verwikkelingen met fanatieke dierenactivisten en natuurliefhebbers, politieke strubbelingen rondom op de Veluwe losgelaten wolven (al dan niet hondsdol), en duistere navorsingen in een Belgisch vakantiehuis.

Den Hartog Jager houdt van heftige verhalen, waarin flink wordt nagedacht, maar waarin ook veel gebeurt. Spannende ideeënromans zijn het, met gewelddadige, thrillerachtige intriges. Zijn eerste roman, Zelf God worden (2003), was gewijd aan de pogingen van een (fictieve) IJslandse kunstenaar om onsterfelijk te worden. Die onsterfelijkheid dacht hij te kunnen bereiken door te verdwijnen, in navolging van de Nederlandse kunstenaar Bas Jan Ader, wiens laatste kunstwerk in 1975 bestond uit een zeereis. Van hem werd, na negen maanden, alleen een leeg bootje teruggevonden, dobberend in de Atlantische Oceaan, nabij Cape Cod. Den Hartog Jagers kunstenaar deed het nog beter: hij liet geen enkel spoor achter. Hij steeg op, zo leek het, vanaf een bergtop, op hemelvaartsdag nog wel.

Maltus is minder mysterieus en lonkt lang niet zo opzichtig naar het hogere, al werkt Den Hartog Jager ook deze keer toe naar een onthutsend slotakkoord. Verder probeert hij zijn lezers scherp te houden door een ander sociaal-biologisch twistpunt door zijn roman te vlechten: de nature of nurture-kwestie. Wordt de mens bepaald door zijn genen of door zijn opvoeding? Of, anders gezegd, door zijn instinct of door zijn verstand? Geeft het beest in de mens de doorslag, vraagt Maltus zich steeds maar weer af, of de geest?

Dit meningsverschil, dit verschil in levensbeschouwing liever gezegd, verdeelt de mensen in twee kampen, in dit boek althans. Aan de ene kant zijn er de biologen die mens en dier vooral als onderzoeksobjecten zien, nauwelijks van elkaar te onderscheiden en beide gedreven door dierlijke instincten. Aan de andere kant staan de natuurvrienden die in elk dier, hoe wild ook, een mensachtige zien, en die menen dat door wederzijds begrip het leven op aarde op een hoger plan kan worden gebracht. Of, zoals Maltus het weinig subtiel uitdrukt: ‘Voorlopig hield hij het erop dat het soort mensen dat in de jaren zeventig en tachtig hun bestaansrecht had ontleend aan het knuffelen van arbeiders en negers hun werkterrein naar de dieren had verlegd.’

In deze al te schematische tweedeling schuilt, bij alle spanning en sensatie, precies het ongemak dat deze roman aankleeft. Den Hartog Jager wil ons doen geloven, in nogal stroeve bewoordingen, dat zijn held alleen rationeel kan denken, en dus ver af staat van zijn gevoelens. Hij is geen vrucht van zijn opvoeding, door blije jaren zestig hippie-ouders, maar hij is geconditioneerd door het rechtlijnige, strenge genenmateriaal van zijn voorvader. Als hij, na de nodige aarzeling, eindelijk ingaat op de avances van zijn collega Julia, dan doet hij dat niet omdat hij verliefd op haar is, maar omdat hij ‘nieuwsgierig’ is naar haar ‘gebrek aan gêne’. Hij gaat ook niet met haar naar bed omdat hij dat graag wil, maar omdat zijn lichaam geen weerstand meer kan bieden aan haar gelaarsde benen.

Zoals Maltus experimenteert met ratten, zo experimenteert Den Hartog Jager met zijn hoofdpersoon. Diens kennelijk aangeboren starheid neemt steeds karikaturalere trekken aan. Het is niet goed mogelijk deze Maltus helemaal serieus te nemen, met zijn ploeterige gedenk en zijn gevoelsarmoedige blik op de wereld. Als de eerste verbazing er een beetje af is, treedt ook bij de lezer langzaam maar zeker enige verkilling in. En dat is al ruim voordat, in de laatste bladzijden, de beslissende eindstrijd losbrandt tussen geest en beest.