Altijd blijven lachen

Het is inmiddels een ingeburgerd onderdeel van verkiezingscampagnes: boeken en boekjes van de lijsttrekkers. Politici wedijveren met elkaar in optimistische visoenen voor de toekomst van Nederland. Maar wie lacht er bij de verkiezingen op 22 november nog steeds?

Paul Witteman: Zwevende Politici, over opportunisme in Den Haag. Paul Witteman in gesprek met André Rouvoet. Balans, 62 blz. € 4,95

Femke Halsema en Michiel van Zonneveld: Linkse lente. Femke Halsema in gesprek met Michiel Zonneveld.Bert Bakker, 171 blz. € 9,95

Jan Peter Balkenende: Aan de kiezer. Brieven van Jan Peter Balkenende. Bert Bakker, 146 blz. € 9,95

Wouter Bos en Max de Bok: Wat Wouter wil. Wouter Bos in gesprek met Max de Bok. Bert Bakker, 61 blz. € 5,–

Nederland moet zich ontdoen van de grauwsluier van de afgelopen jaren. Sinds het eind van de paarse coalitie in 2002 was het land gedompeld in een permanente crisissfeer. Het verhaal is bekend. De aanslagen in New York, Madrid, en Londen. In eigen land de moorden op Pim Fortuyn en Van Gogh. De bedreiging van Nederlandse politici als Hirsi Ali en Wilders door moslimfundamentalisten. De paranoïde atmosfeer. De verwarring. Moslims werden met argusogen bekeken, en zij keken op hun beurt met even grote argusogen terug. Ondertussen belandde de Nederlandse economie in een toestand van stagflatie, een stagnerende economie terwijl prijzen en lonen toch blijven stijgen.

De houdbaarheid van sociale voorzieningen op langere termijn werd ernstig in twijfel getrokken. Uit opinieonderzoeken, en ook uit onderzoeken in opdracht van de regering, bleek structureel dat de burgers weinig vertrouwen meer hebben in de overheid. Gek genoeg waren de ondervraagden overigens in meerderheid steeds wel tevreden met hun persoonlijke omstandigheden. Maar toch: terwijl de maatschappelijke tevredenheid en de economische voorspoed eind jaren negentig van de vorige eeuw op hun top stonden, leek het alsof iemand het licht had uitgedaan.

Het was een ‘rechtse winter’, althans volgens GroenLinks-fractievoorzitter Femke Halsema in het boek Linkse Lente, dat zij samen met voormalig Vrij Nederland- journalist Michiel Zonneveld schreef. Sinds het kabinet Balkenende II is gevallen ruikt Halsema de lente, de linkse lente welteverstaan. Zij is niet de enige politiek leider die ineens de zon weer ziet schijnen. En die een boek schreef, of althans liet schrijven.

Met de verkiezingen op 22 november in zicht is er sprake van een golfje van dit soort egodocumenten. Sinds Fortuyn in 2002 zijn kandidatuur voor het premierschap vergezeld liet gaan van een boek waarin hij uiteenzette wie hij was en wat hij wilde, De puinhopen van acht jaar paars, is een trend gezet. Om een greep te doen: CDA-leider Balkenende schreef eerder Anders en beter, SP-aanvoerder Marijnissen Hoe dan, Jan, PvdA-leider Bos Dit land kan zoveel beter. Nu er weer verkiezingen in de lucht hangen, komt behalve Halsema met haar lentegevoel Balkenende met Aan de kiezer, Bos met Wat Wouter wil en ChristenUnie-voorman Rouvoet met Zwevende politici. De boeken hebben met elkaar gemeen dat zij in ongehoord korte tijd moesten worden geproduceerd, omdat de verkiezingen werden vervroegd, door de val van het kabinet in juni. Drie van de vier boeken zijn dan ook geschreven volgens het procedé: men neme een niet al te vijandige journalist en late hem het werk doen. Rouvoet liet zich interviewen door Paul Witteman, Bos door oud-journalist Max de Bok en Halsema dus door Zonneveld.

Het boek van Rouvoet en Witteman wijkt qua karakter enigszins af van de andere. De uitgever (Balans) presenteert het boek als een pamflet in reeks die begon met het interview dat Witteman eerder had met Dorien Pessers over het intrekken van het paspoort van Ayaan Hirsi Ali. Het is, volgens de uitgever althans, een ‘openhartig en fundamenteel gesprek over een alarmerend fenomeen’. Gedoeld wordt op het verschijnsel dat politici steeds vaker de oren laten hangen naar de wens van het electoraat. Het gevolg is dat partijen ‘van kleur verschieten’ en het parlement zijn gezag ziet afnemen. Rouvoet houdt voornamelijk een systeem-kritisch betoog, waarin hij pleit voor een herideologisering van politieke partijen. De leider van de ChristenUnie blijft zo dicht in de buurt van zijn rol in de Tweede Kamer als kritische keurmeester van een kleine christelijke partij die vaak aan getuigenispolitiek doet. Het gesignaleerde probleem van het naar elkaar toe kruipen van partijen in het politieke midden, is misschien wel alarmerend, maar in het geheel niet nieuw. En dat doet de urgentie van het probleem enigszins verbleken.

Balkenende en Bos delen in hun boeken met Halsema het streven naar Nieuwe Opgewektheid. ‘Er is geen enkele reden voor sombere verhalen’, schrijft Bos. En Balkenende schrijft: ‘Het gaat nu, in 2006, over een breed front gelukkig weer veel beter in Nederland.’ Halsema gaat nog een stapje verder. Zij citeert de filosoof Karl Popper die gezegd heeft ‘dat we allemaal de morele plicht hebben tot optimisme’. Die uitspraak wil zij het credo maken van haar partij, zelfs van alle politici. Dat laatste is dus al flink gelukt. Halsema: ‘Als democratische leiders, als volksvertegenwoordigers, hebben wij de plicht het pessimisme te bestrijden.’ En dat is ook wat zij Balkenende het meest kwalijk neemt, dat ‘begrijpelijke zorgen en angsten zijn aangewakkerd tot pessimisme.’

Halsema heeft gelijk in haar analyse dat Balkenende sombere toekomstvisioenen – bijvoorbeeld over de vergrijzing die onbetaalbaar wordt als er niet wordt ingegrepen – heeft gebruikt om harde hervormingsmaatregelen door te voeren. Balkenende zelf erkent dat ook in zijn boek. ‘Er zaten veel lastige en pijnlijke maatregelen in het pakket dat nodig was om Nederland uit het moeras te trekken.’ Maar er was volgens hem ‘geen alternatief’.

De CDA-leider heeft zijn boek gegoten in de vorm van 28 brieven aan kiezers. Op zich een creatieve gedachte, want dit biedt hem de gelegenheid het CDA-verkiezingsprogramma in eigen woorden nog eens voor te schotelen aan de lezer. Dus het thema onderwijs in een brief aan zijn oude rector, veiligheid in de brief aan een agent, gezinsbeleid in een brief aan een moeder enzovoorts. De brieven zijn evenwel in een bedroevend slechte stijl gesteld. Er is sprake van ‘lood dat ons in de schoenen zakte’, een contaminatie van ‘lood in de benen’ en ‘moed in de schoenen’. Balkenende stapelt metaforen: Nederland is een huis met een dak dat kan gaan lekken, maar ook een schip met gaten in de boeg. En hij herhaalt zo vaak het zinnetje ‘ik herinner mij’, dat de lezer het gevoel bekruipt de memoires van een oud-premier in handen te hebben. Mogelijk moet dit krakkemikkige taalgebruik ook bijdragen tot het beeld van Balkenende als ‘authentiek’ politicus. Maar zijn programma-in-brieven heeft al met al het karakter van Saartje-Burgerhart- wacht-op-antwoord.

Het gevecht om het nieuwe optimisme krijgt bij die andere titaan uit de lijsttrekkersstrijd, Wouter Bos, een geharnast karakter. Tot vijf keer toe benadrukt hij dat zijn verhaal ‘optimistischer’ is dan dat van Balkenende. Tegelijkertijd legt hij zware nadruk op de noodzaak het integratievraagstuk op te lossen. Hij noemt dat vraagstuk, net als tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, dé sociale kwestie van onze tijd. Bos profileert zich in debatten steeds als de man van die het beste in staat is allerlei rijtjes van problemen en misstanden uit het hoofd te leren. Dat hij in dit boekje inzoomt op integratie, is terecht. Maar soms schiet hij door: de integratie van ‘moslimburgers’ is ‘een geweldig probleem, een tijdbom onder onze samenleving’. En: ‘We stevenen af op een heel groot probleem. Zo groot dat het uiteindelijk kan ontaarden in Franse toestanden’. Hier gebruikt Bos hetzelfde procedé als Balkenende eerder deed met de vergrijzing: het oproepen van angstaanjagend visioen om hervormingsmaatregelen door te voeren. Het integratievraagstuk moet volgens de PvdA-leider hard worden aangepakt door ‘keiharde PvdA-mensen met een keiharde respectagenda’. In zijn angst te worden uitgemaakt voor ‘softe Henkie’, roept Bos het beeld op van een PvdA bestaande uit ‘kleerkasten van gozers’ die onverbiddelijk optreden tegen iedereen die niet wil luisteren.

Balkenende gebruikt zijn boek voornamelijk om zichzelf te profileren als degene die de zwarte wolken van vier jaar geleden heeft weten te verdrijven. Halsema en Bos beschuldigen hem ervan juist degene te zijn die Nederland in de put heeft gepraat. Maar wie de kampioen van het nieuwe optimisme wordt – Halsema, Bos, Balkenende of toch een andere politiek leider – zal de kiezer over twee weken bepalen.